Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Coen overleed onverwachts en stortte neer als de gevelde eik. Hoewel hij reeds sedert eenigen tijd aan dysenterie lijdende was geweest, had hij, met zijn krachtigen geest en ijzeren wil, de zwakheid van het ligchaam onderdrukkende, de leiding der zaken onvermoeid in handen gehouden; nog weinige dagen te voren had hij in persoon de vijandelijke werken verkend, zelfs op den dag van zijn dood zat hij nog, hoewel met bleek en ernstig gelaat, aan den gemeenschappelijken maaltijd. Des avonds evenwel overviel hem de ziekte, welligt de cholera morbus, en weinige uren later verklaarde de geneesheer Bontius, dat de Gouverneur-Generaal zelfs niet meer tot den volgenden morgen zou blijven leven. Zoodra de mare zich verspreidde, dat het einde van Coen scheen te naderen, omringden zijne gemalin, die slechts drie dagen te voren hem eene dochter had gebaard, en de Raden van Indie zijne legerstede. Coen wenkte het raadslid Pieter Vlack, dat hij tot hem zou naderen en hij beval dezen vrouw en kind aan. Daarop deed Coen den predikant Heurnius tot zich komen; aan dezen, die tot den stervende nederboog, noemde hij den naam van hem, dien hij als zijn opvolger in de landvoogdij aanwees. Omdat hij niet meer bij magte was zelf te schrijven, gelastte Coen aan Heurnius dien naam op te teekenen en dadelijk na zijn overlijden in besloten missive aan den Raad van Indie over te leveren. Eindelijk riep Coen ook de Raden van Indie Vlack, Van Diemen en Raemburch, die in het vertrek aanwezig waren, tot zich, hij deelde hun mede, wat hij aan Ds. Heurnius had gelast. De raadsleden ziende, dat Coen reeds stervende was, zwegen op die mededeeling stil, zij weerspraken den stervende niet; maar vroegen hem ook geen nader inlichting. Uitgeput door deze laatste inspanning zonk Coen in zijn hoofdkussen neder en gaf kort daarop den geest.

»Op den 2 2sten September werd het lijk met groote plechtigheid in het stadhuis, omdat bij de belegering van het vorige jaar de kerk was afgebrand, begraven."

bladen het treurig bericht, dat de dood dezen werkzamen, geleerden, beminnelijken man aan de vaderlandsche wetenschap en zijne vele vrienden ontrukt heeft. Hij was bibliothecaris der Utrechtsche Universiteit.

Sluiten