Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van Stockum, op grond van de 01 mogelijkheid ter uitvoering, maar toch de Algemeene Staten deed besluiten een eskader oorlogsschepen naar Oost-Indië uit te zenden, ten einde het Nederlandsche gezag aldaar te handhaven. Zes oorlogsvaartuigen, met meer dan 2000 koppen en 326 stukken geschut aan boord, vertrokken in het voorjaar van 1783 onder bevel van den kapitein ter zee Van Braam naar Batavia en kwamen aldaar aan in Mei 1784, «juist in tijds om de Hooge Regeering uit een zeer neteligen toestand te redden".

Gedurende den oorlog met Engeland waren er moeielijkheden onstaan met den Boegineeschen onderkoning van het eiland Riouw, Radja Hadji. In 1782 had een Fransche kaper met behulp van een paar Nederlandsche schepen op de reede van Riouw een Engelsch koopvaardijschip genomen. Daar men hem een door hem geëischt deel van den buit weigerde, begaf hij zich naar Moar, bij Malakka, waar hij de hulp inriep van den op het schiereiland gevestigden Boegineeschen Sultan van Selangoer. Wel zond de Gouverneur-Generaal Alting op aanvraag om hulp de beschikbare scheepsmacht, twee groote en vier kleine schepen, naar Riouw, werwaarts Radja Hadji was teruggekeerd, maar deze macht bleek ongenoegzaam en kon niets belangrijks uitrichten, voordat er in November 1783 eene versterking van schepen en manschappen uit Malakka onder twee leden van den Politieken Raad te Malakka, Lemker en Hoynck van Papendrecht, was aangekomen, aan wie als Commissarissen de leiding der expeditie, volgens bevelen uit Batavia, was opgedragen. Er werd nu tot een landing en aanval op Riouw besloten. Ofschoon de batterijen der Boegineezen door het vuur der schepen tot zwijgen werden gebracht, mislukte de landing. Toen bovendien door een onbekende oorzaak Lemkers schip in de lucht vloog, waarbij deze zelf en een groot aantal militairen het leven verloren, ontstond er zulk een paniek onder de onzen, dat zij afdeinsden en in Malakka een wijkplaats zochten. Deze gewichtige vesting werd daarop van alle kanten door de Boegineesche hoofden alsmede door Sultan Mahmoed van Djohor en den vorst van Rembao ingesloten, onder bevel van

Sluiten