is toegevoegd aan uw favorieten.

"De groote Oost"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derde hoofdstuk begint van de vijf die de opzet van mijn reis bevat (Soematra's Oostkust, Zuid-Borneo, Minahassa, Molukken en ten slotte een paar stukken van Java benevens de Lampongs). Ik heb waarlijk geen spijt dat ik, van Borneo, juist de Zuiderafdeeling heb uitgezocht. Het heeft mij, na het verblijf te midden van Europeesche activiteit op S. O. K., een levendig contrasteerend beeld gegeven van Inlandsche activiteit en Inlandsche milieu's. De Zuiderafdeeling is te weinig bekend en verdient heel wat meer aandacht dan ze tot nu toe vond, en ik heb hier in Bandjermasin den indruk gekregen dat men het betoonen van belangstelling in deze afdeeling zeer waardeert; ik hoop het mijne er toe te hebben bijgedragen om althans den waan te verstoren dat men hier „in de rimboe" zou zitten. Wat den menschen in Bandjermasin zelf aangaat, ik heb op deze en op mijn vorige reis nog zelden of nooit een plaats gevonden waar de oude Indische geest van voorkomendheid en breede gastvrijheid nog zoozeer heerscht als hier. Ik kan niet alle namen gaan noemen van de velen — ambtenaren en particulieren — die mij hier geholpen hebben, maar de heeren Viëtor, agent van de K. P. M. en Brautigam, sub-agent, die mij ontvangen hebben alsof ik hun particuliere gast was in plaats van een der vele passagiers van de Maatschappij, moet ik hier toch even openlijk danken. Evenals kapitein Ter Haar van de „Negara", die mij niet alleen die boeiende negen dagen zoo aangenaam mogelijk heeft gemaakt aan boord, maar die ook, evenals onlangs zijn college Westers van de „Donggala", herhaaldelijk mij aan den wal heeft rondgeleid.

Heel Bandjermasin is trouwens gul en gastvrij. Behalve de gevangenis. Want daarop staat, met groote letters: „Verboden Toegang". Gelukkige boeven!