Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den overkant, borg achter zijn macht de „Barentsz" voor mij weg.

En nu is het avond. De zeewind is gaan liggen en de bergwind die des nachts van den vulkaan komt glijden, slaapt nog zijn dagdiefslaap. Het wordt zoeler. En stiller. En donkerder. De papegaaien zweven schimmig uit de palmen over naar de paar boomen vóór de baroega en steken, na wat gekibbel over de beste plaats, den kop onder de wiek. In warme, zwarte armen sluit de nacht nu alle dingen op.

Krekels snerpen. Vuurvliegen komen aangevonkt op 't lamplicht van den pasanggrahan. Een donker bonkelen van riemen (nu eens geen pagaaien) mompelt uit de diepte op. Zwaar zwoegt de zee.

Een Turksche maan breekt langzaam uit de wolken en meet het water met een zilveren lint. Er spoken dierenstemmen uit de duistere stilte op, vlak bij, misschien wel onder 't atap van het overstekend dak. Een gromt er en een kirt. Een ander satert. Ik weet niet wat het zy'n. Ik laat den nacht gebeuren als den dag. 't Is alles goed en groot hier en geweldig, zóó geweldig van ontzaglijk stille kracht, dat enkel overgave mogelijk blijft.

De zee hijgt af en aan met diepe brandingzuchten. En achter het decor der enkele boomen op den voorgrond donkert, ontzagwekkend hoog en zwart nu in den bleeken nacht, 't Walhalla van den overkant.

Maar ik besef nu dat het waar is wat ik wel eens heb gelezen in boeken als „V a n S a n t e n 's g 1 ü c k 1 i c h e Z e i t" en dat de Indische idylle niet zoo maar verzinsel is. Want ik beleef haar zelf nu.

Zij het dan, helaas, maar kort.

14 April.

Dat was gisteren. Toen ik vanmorgen, na te hebben geslapen als een marmot in dit stille huisje en in 't rhythme van de

Sluiten