Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jaar zijn gedempt, is niet alleen de malaria als door toovertf verdwenen, maar zijn er, althans in het hotel, ook nagenoeg geen andere muskieten meer. De bevolking is een mengeling van (gedeeltelijk geïmmigreerde) Javanen, Madoereezen en Baliërs en toont een groote liefhebberij in het houden van gekooide duiven, zwiepend aan torenhooge bamboestaken.

Een vriendelijke inwoner van Banjoewangi deed mij hedenmorgen, in zijn auto, wat van de omgeving zien. Die is niet opmerkelijk. Wat klappers, wat sawahs, haast in 't geheel geen bosch meer en veel oninteressante vlakte. Er zijn twee plaatsen, een ten Noorden en een ten Zuiden van Banjoewangi (de Pangpangbaai) waarheen men de haven zou willen verplaatsen. Beide, en vooral de Zuidelijke, liggen echter veel te ver. 't Ware overigens goed om den aanlegsteiger vast wat te verbeteren; het aankomen daar was gisteren een belachelijk schandaal. De passagiers, waaronder dames, moesten letterlijk worden opgeheschen uit de stoomsloep naar het veel te hooge steigerdek. En aan het trapje langs den noordelijken zijkant scheen men niet te kunnen meren.

Djatiroto, 26 Mei.

Ik heb weer heel wat achter den rug, namelijk, in den meest letterlijken zin, den Idjen (welk vulkaanhoogland nu in 't Oosten achter mij ligt) en, figuurlijk, het logeeren op Taman Sari en op Djampit en den tocht naar het kratermeer en terug. Dezelfde voorkomende inwoner van Banjoewangi die mij de omgeving deed zien, heeft mij eveneens in zijn auto naar Taman Sari gebracht. „Schoonoord", zoo zou men dezen Javaanschen naam kunnen vertalen, naar men mij uitlegde. Dat is, zoowat 500 M. hoog op de Oostelijke helling van het plateau,' de woonplaats van den ouden Boskooper T. Ottolander, den patriarch van den Idjen, die nu meer dan een halve eeuw op verschillende plaatsen op en om dat vulkaanland heeft gewoond en geplant en wel in de klassieke Javacultuur: de koffie. Vandaar ben ik, met den heer Ottolander en nog een Boskooper

10 Reisbrieven,

Sluiten