Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veroordeeld. Dat heeft mij zoo dikwijls pijn gedaan, als mij werd gezegd: nu, dat is óók eentje die eiken Zondag naar de kerk gaat en let eens op, wat hij in het gewone leven doet! Ik heb dan altijd aangevoerd, dat men een beginsel niet verwerpen mag, omdat de een of ander dit met zijn leven weerspreekt en het slechts met zijn mond behjdt. Men moet buiten den mensch om trachten de schoonheid van den Bijbel te onderzoeken en de hefde tot God hooger te stellen dan tot de menschen. Want in menschen wordt je immers elk oogenbhk bedrogen."

„Het is jammer," zei Annie, „dat velen onder ons, door hun leven en hun optreden, zoo dikwijls een tegenzin voor den godsdienst opwekken bij niet-geloovigen. Van dien kant is er echter óók tekort aan waardeering. Ik verwonder me er dikwijls over hoe weinig men van de dingen afweet, die voor ons zoo belangrijk zijn."

„Je mist het contact, heb ik wel eens tegen mijn man gezegd. Je voelt direct of je begrepen wordt of niet, wanneer je met anderen óver hóógere dingen spreekt. Het gros spreekt 't liefst over uitgaan, whisten, dansen of komedie. Zonder dat wij christenen alles veroordeelen of „zonde" vinden, denkt men toch meestal dat wij kniesooren zijn en met het hoofd naar beneden loopen in 't dagelijksche leven," zei mevrouw.

„O, weet u wat moeder altijd zegt," viel Lien in, „wij christenen kunnen juist meer opgewekt zijn en met meer vertrouwen door 't leven gaan, omdat we weten dat God voor ons zorgt en we gelooven dat Hij alles voor ons bestuurt. Maar wij moeten niet vergeten dat we een wit kleed dragen waarop elk vlekje gezien wordt door hen die buiten staan."

„Nu ik denk er juist zoo over als je moeder, Lien. 'k Hoop voor jullie kinderen, dat je niet door allerlei wordt afgetrokken als je straks het leven hier ingaat. Jullie hebt beide de goede keuze gedaan en ik wensch je toe dat je die getrouw blijft."

Lien en Annie zwegen.

Zij voelden beide den ernst die er in mevrouw Banninga's woorden lag... wisten bij ondervinding hoe zwak de moed dikwijls was om uit te komen voor het geloof. . . . Hoe bitter de beschuldi. ging daarna ... als zij het diep gevoelden dat vrees voor minachting hen had terug gehouden . . .

Bonnema, Over de Grenzen.

6

Sluiten