is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van 9 Juni 1902 (Staatsblad no. 87) tot regeling der pensioenen van de militairen der zeemacht (Pensioenwet voor de zeemacht 1902), met enkele aanteekeningen aan de gewisselde stukken en de beraadslagingen der beide Kamers der Staten-Generaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verg. boven —. Voor elk jaar dienst krijgt hij dus een veertigste (dertigste) van het volle pensioensbedrag, met deze grens dat nooit minder dan de helft van het volle pensioen wordt genoten.

Evenals bij ontslag wegens ongeschiktheid ten gevolge van den dienst - gebreken in en door den dienst — voor het ontstaan van het recht op pensioen de duur der dienstbetrekking van geen invloed is, zoo wordt ook in dit geval van pensionneering voor de berekening van het pensioensbedrag deze maatstaf' buiten beschouwing gelaten. Het bedrag van het pensioen is dan niet afhankeljjk van den duur der dienstbetrekking, doch hiervan, of de ongeschiktheid voor den dienst gepaard gaat met ongeschiktheid om op andere wijze in het levensonderhoud te voorzien. Is dit het geval dan wordt het volle pensioensbedrag uitgekeerd; in andere gevallen niet meer dan drie vierden, dijkt niet dadelijk of de ontslagen militair op den duur buiten staat zal zijn in zijn levensonderhoud te voorzien, dan wordt tot tijd en wijle hieromtrent wèl te beslissen valt het volle pensioensbedrag uitgekeerd; telkens echter voor één jaar. Is de man na vijf jaren nog steeds buiten staat in eigen levensonderhoud te voorzien, dan wordt aangenomen dat hij het wel nooit zoover zal brengen en krijgt hij het volle pensioen voor vast.

Het is wellicht overbodig er op te wijzen, dat het