is toegevoegd aan je favorieten.

Wet van 9 Juni 1902 (Staatsblad no. 87) tot regeling der pensioenen van de militairen der zeemacht (Pensioenwet voor de zeemacht 1902), met enkele aanteekeningen aan de gewisselde stukken en de beraadslagingen der beide Kamers der Staten-Generaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tien jaren werkelijken dienst hebbc (1) (2) (8);

4°. na een werkelijken dienst van ten minste tien jaren, wanneer de militair ontslagen is omdat hij den leeftijd van vijftig jaren had bereikt of overschreden en geacht werd, in verband met zijn leeftijd voor de waarneming van den militairen dienst niet meer ten volle geschikt te zijn (4);

(1) Vergel. Bevorderingswet voor de zeemacht art. 28, 2". b.

(2) Een amendement van den lieer Staalman^ den milioien-loteling die militairen dienst verrichtte tijdens het ontstaan van de in dit lid genoemde oorzaken van ongeschiktheid, mits hij slechts twee maanden van werkelijken dienst zou kunnen aanwijzen, recht op pensioen te verleenen, werd met 52 tegen 21 stemmen verworpen. liet amendement had de strekking de moeilijkheid, waarop hierboven onder (3) op blz. 4 word gewezen, ten aanzien van de miliciens op te heften.

(3) In dezelfde lijn lag een amendement van de heeren Huoenholtz, Helsdingen, Melchers en Schaper, die voorstelden, de woorden „en de belanghebbende ten minste tien jaren werkelijken dienst hebbe" te doen vervallen. Wat de heer Staalman voor de miliciens wilde verkrijgen, stelde het amendement van de heeren Huoenholtz, c.s. voor allen in het vooruitzicht. Het amendement werd met 66 tegen 7 stemmen afgestemd.

(4) Vergel. Bevorderingswet voor de zeemacht art. 28, 2°. c.