is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van 9 Juni 1902 (Staatsblad no. 87) tot regeling der pensioenen van de militairen der zeemacht (Pensioenwet voor de zeemacht 1902), met enkele aanteekeningen aan de gewisselde stukken en de beraadslagingen der beide Kamers der Staten-Generaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5°. na een werkelijken dienst van ten minste vijftien jaren (1), wanneer de militair ontslagen is ter zake van :

u. onbekwaamheid of ongeschiktheid om in den verkregen rang of stand in eenige betrekking bij de zeemacht te dienen (2) (3) ;

b. liet eindigen van een dienstverband voor zoover de vernieuwing daarvan met machtiging van Onzen Minister van Marine (4)

(1) Een amendement van de heeren IIugenholtz, ILelsdixgen, Melchers en Schaper, de woorden „na een werkelijken dienst van ten minste vijftien jaren" te doen vervallen, is met 68 tegen 6 stemmen verworpen. Yergel. hiervóór aant. (3) op blz. 7.

(2) Yergel. Bevorderingswet voor de zeemacht art. '28, 2". il.

(3) Aangezien de militair vóór de benoeming in, of bevordering tot den rang of stand geschikt moet zijn — anders kan liij daarin niet worden benoemd of daartoe bevorderd — moet de hierbedoelde ongeschiktheid gedurende den tijd, welke in den rang of stand wordt doorgebracht, zijn ontstaan, b.v. langzamerhand ontstaande besluiteloosheid en zwaartillendheid, gemis aan voortvarendheid, te ver gedreven meegaandheid of karakterzwakte.

(4) „met machtiging van Onzen Minister van Marine" is ingevoegd op voorstel van de lieeien Yerheij, Idenburg en Duymaer van Twist, ton