is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van 9 Juni 1902 (Staatsblad no. 87) tot regeling der pensioenen van de militairen der zeemacht (Pensioenwet voor de zeemacht 1902), met enkele aanteekeningen aan de gewisselde stukken en de beraadslagingen der beide Kamers der Staten-Generaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kiii.tr, ziels- of lichaamsgebreken, als bedoeld bij artikel 2 onder 2°., pensioen werd toegekend en die verwonding, verminking of gebreken den gepensionneerde later, mits niet door eigen toedoen, in een toestand brengen, die, had hij reeds bij de pensionneering bestaan, recht zou hebben gegeven op een hooger pensioen dan verleend werd, dan wordt de belanghebbende alsnog in het genot gesteld van dat hoogere pensioen, mits de daartoe aan Ons te richten aanvrage binnen vijf jaren na het verlaten van den dienst aan het Departement van Marine zij ingezonden.

Die verhooging gaat in met den dag, waarop de aanvrage bij gemeld Departement werd ontvangen.

Artikel 30.

Wanneer een militair zonder toekenning van pensioen of zonder erkenning van het recht op pensioen uit den dienst is ontslagen, hoewel hij recht op pensioen kon doen gelden, of wanneer een militair, buiten het geval bij artikel 29 voorzien, recht kan doen gelden op een ander of een hooger pensioen dan hem werd verleend, wordt hij alsnog in het