is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van 8 December 1902 (Staatsblad no. 208) tot uitvoering van artikel 75 der ongevallenwet 1901 (Beroepswet), met aanteekeningen aan de gewisselde stukken en de discussieën in de beide Kamers der Staten-Generaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ming tot lid en één voor benoeming tot plaatsvervangend lid.

Deze regeling geschiedt in dier voege, dat het aantal personen, dat kan worden voorgedragen, met de helft kunne te boven gaan het aantal leden of plaatsvervangende leden, dat te benoemen is.

Bij dienzelfden algemeenen maatregel van bestuur wordt wijders al datgene geregeld wat, met betrekking tot de benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden van de raden van beroep, regeling behoeft.

(1) Zie den algemeenen maatregel van bestuur van 8 December 1902 (Stbl. n°. 212).

Uit den boezem der tweede kamer zijn ernstige bezwaren geopperd, dat een zoo belangrijk onderdeel der geheele regeling van de raden van beroep is overgelaten aan een algemeenen maatregel van bestuur. Maar niemand wist er iets anders op. De commissie van voorbereiding stelde een amendement voor, waarbij eene nadere wettelijke regeling binnen twee jaren werd geëischt. Ten slotte is artikel 22 aan de wet toegevoegd, welks bewoordingen het amendement der commissie van voorbereiding omvatten. Dit is daarop ingetrokken. (Zie verder aant. (1) bij art. 22).

Ter verkrijging van het aantal werkgevers en het aantal werklieden, die te zamen één persoon kunnen aanwijzen om mede te werken tot het opmaken van eene voordracht voor benoeming (de gemachtigden),