is toegevoegd aan uw favorieten.

De burgemeester hulp-officier van Justitie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

art. 397, eerste lid op zich zelve »en zonder van elders bevestigd te zijn, een volledig bewijs opleveren van de door «den ambtenaar uit eigen waarneming geconstateerde feiten;

«dat dit karakter van schriftelijk getuigenis in het stelsel »van het Wetboek toe te kennen aan de in art. 401 bedoelde «akten, bevestigd wordt door den historischen oorsprong van »dit artikel:

«dat toch reeds in art. 3G4, deel uitmakende van titel XXIX »van het Crimineel Wetboek voor het Koninkrijk Holland, «welke titel de grondslag was van titel XXII van het Wet«boek van Strafvordering, onder de rubriek »van getuigen« «(Hoofdstuk I) was bepaald: »zij die in eenige openbare ««ambten, posten of bedieningen geplaatst zijn, verdienen in »»het algemeen geloof, ten aanzien van hetgeen hun in hunne »'betrekking is wedervaren;®

»dat in art. 57 van het ontwerp van een wetboek van «strafrecht van 1827 een nader nagenoeg onveranderd in het «wetboek van strafvordering van 1828 overgegaan voorschrift «van geheel gelijke strekking voorkwam, maar dat daarin nu, »omdat het artikel was overgebracht naar den titel »van »»schriftelijke bescheiden,« het vereischte, dat de ambtelijke «verklaringen oorspronkelijk moesten zijn afgelegd op den «ambtseed of wel nader onder eede bevestigd, uitdrukkelijk «was vermeld;

«dat inmiddels hier te lande van kracht was geworden de «tot den len October 1838 van kracht gebleven Fransche Code »(/'lnstruction eriminelle van 1808, die, ofschoon in het alge«meen ook voor de niet aan de kennisneming van gezworenen «onderworpen strafzaken eene vrije bewijstheorie huldigende, «niettemin in de artt. 154 en 189 absolute bewijskracht toe-