is toegevoegd aan je favorieten.

De burgemeester hulp-officier van Justitie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zie ook een arrest van den H. R. van 25 November 1889 (\V. v. h. R. 5808), alsmede van 4 Maart 1895 (W. v. h. R. G034) en van 17 October 1892 (\V. v. h. R. C256).

Eene uitdrukkelijke bevoegdheid tot inbeslagneming met het oog op een mogelijk bevel tot onbruikbaarmaking of vernieling (art. 219 W. v. Sv.) of eene mogelijke verbeurdverklaring (art. 34 W. v. Sr.) wordt in het Wetboek van Strafvordering niet gegeven. Dit neemt niet weg, dat bij een later rechterlijk vonnis zal kunnen worden bevolen de vernieling of onbruikbaarmaking of zal kunnen worden verbeurdverklaard, 1) wat ingevolge art. 41, 42 of 47 W. v. Sv. is in beslag genomen. Wanneer ecliter voorwerpen, die zouden kunnen worden verbeurdverklaard, of wier vernieling of onbruikbaarmaking zoude kunnen worden bevolen, niet ingevolge art. 41, 42 of 47 kunnen worden in beslag genomen, kan inbeslagneming door opsporingsambtenaren niet geschieden, ten/.ij de speciale wet daartoe de bevoegdheid geeft. Waar de wet geene bevoegdheid tot inbeslagneming geeft, kan eene gemeenteverordening zulk eene bevoegdheid niet geven.

Bij verscheidene bijzondere wetten is de bevoegdheid tot inbeslagneming speciaal geregeld en daardoor voor die gevallen eene veel ruimere bevoegdheid daartoe gegeven. Zoo in eenige fiscale wetten, in de jachtwet, in de drankwet 1904, (art. 25, 2), in de wet van 25 Mei 1880 tot bescherming van diersoorten nuttig voor landbouw of houtteelt (Stbl. 89), in de

1) Heeft geene inbeslagneming plaats, dan zal, zoo verbeurdverklaring bij het vonnis wordt uitgesproken, tevens worden bevolen de uitlevering van het verbeurdverklaarde ol de betaling van de waarde waarop het wordt geschat, waarvoor bij wanbetaling vervangende hechtenis zal in de plaats treden. Art. 34 \V. v. Sr.