is toegevoegd aan uw favorieten.

De burgemeester hulp-officier van Justitie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkheid van toepassing van een ernstigen maatregel als voorloopige hechtenis afhankelijk te stellen van de subjectieve opvatting omtrent de beteekenis der uitdrukking zwaar lichamelijk letsel. Intusschen in het reeds vermelde W. v. h. R. 5567 wordt de alleszins juiste opmerking gemaakt, dat het arrest \an den II. li. van 7 Mei 1888 (W. v. h. R. 5558) vaak een richtsnoer zal zijn om in een bepaald geval uit te maken, of een toegebracht lichamelijk letsel al dan niet als zwaar beschouwd moet worden. Die opmerking heeft nog aan beteekenis gewonnen, nu de II. R. in verschillende arresten bij de leer van dat van 7 Mei 1888 heeft volhard. Zoo bij de arresten van 14 November 1898 (W. v. h. R. 7203), 16 October 1899 (W. v. li. R. 7344), 22 October 1900 (W. v. h. R. 7505), 27 Apiil 1903 (W. v. h. R. 7919), 31 October 1904 (W. v. h. R. 8130) en 2 Januari 1905 (W. v. h. R. 8165).

Ik acht het niet ondienstig van een enkel dier arresten de overwegingen hier af te drukken.

Bij zijn arrest van 27 April 1903 overweegt de H. R.: "dat eene omschrijving van het begrip zwaar lichamelijk >letsel in de wet niet wordt gevonden ;

»dat wel in het oorspronkelijk Regeerings-ontwerp dit be•grip tot bepaald aangewezen gevallen werd beperkt, en vooral in de duurzaamheid van het gevolg de grond tot straf» verzwaring werd gezocht, doch dat de Commissie van «Rapporteurs, de limitatieve opsomming gevaarlijk achtend, »de interpretatie van wat onder zwaar lichamelijk letsel in *het algemeen moest worden verstaan, wilde laten beslissen «door het gewone spraakgebruik en geheel aan den rechter «wilde zien overgelaten;

«dat de Regeering aan die opmerking heeft gevolg gegeven