is toegevoegd aan uw favorieten.

De burgemeester hulp-officier van Justitie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deelte van Art. 52 Wetboek van Strafvordering, in onze handen

heeft afgelegd den eed, dat hij ons naar zijn geweten zoude verslag geven.

Inmiddels de noodige informatiën inwinnende, hebben wy allereerst gehoord den echtgenoot van de overledene, genaamd — oud — van beroep — die verklaarde als volgt:

Ik ben sedert acht dagen bedlegerig, mijn vrouw is straks, gelijk zij gewoon was, opgestaan en naar buiten geloopen, ten einde een emmer water te halen.

Wij hebben hier het verhoor van dezen persoon gestaakt, vermits het ons in zijn ziekelijken toestand niet raadzaam voorkwam verder zijn aandoeningen op te wekken, die hem in hevige mate beheerschten.

Wij hebben daarop ondervraagd den persoon van B., oud — nachtwacht in deze gemeente, die geheel en al bevestigt, hetgeen door den eersten aangever is gemeld, er bijvoegende • toen mijn kameraad was vertrokken, om u aangifte te doen^ heb ik nog ontdekt een emmer, die dicht aan den kant onder' water stond. Ik heb dien opgevischt en hier heen gebracht. En heeft getuige na voorlezing en volharding geteekend.

(get.)

(Verder volgen de verklaringen van die personen welke nadere inlichtingen kunnen geven.)

Eindelyk heeft de heer deskundige, daartoe door ons uitgenoodigd, als het resultaat van zyn onderzoek ons te kennen gegeven, dat hij aan het hem vertoonde lijk geen enkel spoor van geweld heeft ontdekt en hij, ook naar aanleiding van de ingewonnen berichten, het buiten eenige bedenking acht,