is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een vrolijck wijf en eerbaer liij desen.

Slapen Jat de nacht schijnt kort te wesen.

En kijk hare dochteren maar eens aan, als gij weten wilt, hoe de deftige matrone er in den bloei van vrolijk- en jolijkheid uitzag. ,Mijne kinders vallen tengerder dan ik plagt te wezen," moge zij klagen; smeltend noch smachtend hebben de oolijken niets van het teringzieke, dat uit vreemde poezij in de onze is overgewaaid, maar dat wij toch niet mooi vinden dan in verzen! Wat goedronde gezigtjes, — blank als de sneeuw, welke ook de kleur der geestige kijkers moge zijn, — wat gulgaauwe lach, als we regt kennis hebben gemaakt, en zij ons wild woelwater schelden, schoon zij stouten schalk meenen. Welke ronde, mollige armen - welk een zeebari c h e 11 boezem, zoo als een dichter liarer jonkheid zeide ; — een mooi woord, Venus zelve rees immers uit het blanke schuim der golven op? — Jannetje ziet wel eens zuur, het is waar, als zij al den vreemden opschik gaslaat, die liarer dochteren om ,de teère leedjens bengelt f Jannetje ziet nog zuurder als zij de piano hoort rammelen en haar oor uitheemsche klanken vangt, in plaats van de liedekens, welke zij plagt te kwelen : Jannetje ziet allerzuurst, als zij in het huis van een liarer kinderen vreemde drempelmeiden ontmoet, Brabandsche bonnes, Zwitsersche gouvernantes, Fransche floddermadammen, doch dat gebeurt maar enkel, doorgaans is zij over hare dochters nog al tevreden: hoe kan het anders? Orde, spaarzaamheid, liefhebberij in het kraakzindelijke, huiselijkheid, deernis met armoede, vroomheid, zij heeft ze haar van kindsbeen at ingescherpt! Hoe zij verjongt als ze hare eigene liefelijkheid herboren ziet in den schroom van eene aanvallige bruid! — bruidstranen zijn een eigenaardig zwak van Jannetje in liet geluk eener jeugdige eehtelinge! het te huis is de hemel