is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geen lieilstar kende als "t licht dat op zijn helmtop blo nek."

zegt Jan de 1'oeet.

, Mie met Willem den Tweeden voor Amsterdam"

„Wat haper je?" roept .Fan uit, „Grootvaêr, Oom en Vader hadden de kroon verdiend, die hij nemen wou.-'

„Mie met Willem den Derden" -

Het is of Jan de l'oëet het stilzwijgen straks door hem bewaard wil vergoelijken, hij haalt Vondel's meesterstukje aan :

„l'rins Willem draalt alle Aemstehiddeis voor!"

„Mat was de profetie van hetgene er in den borst stak," herneemt Jan C'ordaat. , Hij, die ons Land voor den ondergang behoedde —"

„Die 't Christenrijk beschermde en 't Recht van 't Algemeen,r

klinkt het zegevierende, alsof het I,odewijk XIV nog in zijn graf tarten moest.

„Óf ik zoo mogt voortvaren," zucht Jan Cordaat; „maar van den 1'trechtschen Vrede af, totdat ik met Napoleon van de Bidassoa naar de Herezina zwerven moest, was ik aan Jan Salie-geest ter prooi; we zijn er wreed voor gestraft, — wie wil er zich weer aan blootstellen ? Ik heb geene plaats voor den treuzel, zoo min bij het leger als bij de schutterij! Waterloo! Hasselt! Leuven! zeg mij, wat ik er zou hebben uitgevoerd, als hij mee was geweest! als hij geroepen had: „Langzaam, jongens! langzaam! — komen we er te avond niet dan morgen toch!" Plaat» hem in mijne gelederen, als ge durft: waar de Koning hem aantreft, op de parade, ot op schildwacht, in garnizoen of in liet kamp, Hij zal hem zien, Hij zal hem wegjagen : ik heb zijn woord, dat bij N ader van liet leger zal wezen; al mijne jongens zijn tegenwoordig Landskinderen!"