is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zulk een' zoon. Zie, (laar rijzen beide op, — Jannetje geeft liet teeken, dat de tafel is aangerigt, en Jan leunt met welgevallen op den arm van Janmaat ; zoo zij liet, zoo blijve het. handel en zeevaart onafscheidelijk aan elkander verknocht! Waartoe zou ik u den disch beschrijven? er is niemand, die niet weet, dat Jan van tafelvreugde houdt; er is niemand onder ons, die ze hem niet gunt! al wat ik nu nog te vertellen heb. — maar daar is Jannetje Jan op zijde.

.Vader! mag Jan Salie meè aanzitten?"

„Onder aan. vrouw! Het is van avond voor het laatst: morgen besteed ik hem op een hofje.

Houd het Jannetje ten goede, dat zij niet haar voorschoot langs hare oogen strijkt! — doch zij rept zich reeds hare plaats aan tafel in te nemen; — luister nog een oogenblik. bid ik u. naar een paar jongens, die het langst bij den haard blijven drentelen, die den woordwissel tussclien Jan en .Tannetje hebben gehoord.

„Als Jan Salie onder aan moet zitten." zegt een snaaksche bogchel de meest verwaarloosde, de wreedst verstootene van .lan s kinderen, — en zijn lach is dus ook bitter, .dan wordt hij mijn buurman! Wat spijt het mij, dat Jan Gat en Jan Hen hier geen' toegang hebben, ik zou er hem tussclien plakken, of de drommel zou mij halen! Broertje! wat een flaauwe aardigheid was dat ik zei er beter in mijn' jeugd. Mijn' jeugd !" en hij slaat met het houten zwaard, dat hij op zijde heeft, tegen zijne spillebeentjes, — „welk een andere jongen was ik toen; Huvgens had plezier in me Huygens, de taalgeleerde Hagenaar — Huygens, die de geheimen van drie Prinsen wist! Sinds hebben de poëten mij verstooten; allerlei vreemde snoeshanen stapten als paauwen over het tooneel, ik mogt er niet op; ik was te gemeen. „Op straat met je ronzebons!" schreeuwden ze." — En hij schuift de muts uit zijne oogen: de