is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vergeleken met Parijs, met Londen zelfs, is Amsterdam, in de oogen van den wereldburger, wel geene kleine stad; maar trots den vijfdubbele» ring van grachten, om hare oude burgtwallen geslagen, toch geen doolhof, waarin het hem onmogelijk zon zijn, den eersten den besten, dien hij zocht, op het spoor te komen, hoe deze zich ook schuil houden mogt. En echter, voor mijn arm blaauwbessenvrouwtje was de ruimte, welke zich bij deze woorden voor haar ontsloot, was het velerlei verschiet, dat zij beurtelings verpligt zoude zijn in te slaan, schier verbijsterend. Waar was Eefje? hoe zoude zij haar kind weervinden ? Slecht een gebouw teekende zich op ieder tooneel, dat voor hare oogen dwarlde, scherp tegen de lucht af; het was de huizing, waarin de armoede vergeten wegsterft; het was de St. Pieterspoort, het was het (■ asthuis. Onwillekeurig had vrouw Hendriksz de handen, die in haren schoot lagen, gevouwen, en zonder dat hare lippen prevelden, zagen de omstanders het haar aan, dat zij God om sterkte bad: er was niemand onder hen, die ze der moeder niet toewenschte.

„Hebt gij hier geene kennissen, geene vrienden?" vroeg de heer des huizes, bewogen.

„Onder de mindere menschen wél; maar die zullen mij weinig kunnen helpen, als — Och. mijnheer! al ben ik hare moeder, zeg het mij maar ronduit, — Eefje heeft zicli hier immers goed gedragen?1

„Wat wispelturig, zoo als ik u zeide "

„Maar — toch — eer — lijk?"

„Ja, vrouwtje! ja!"

„Goddank, mijnheer!" er sprongen tranen uit de oogen der grijze vrouw, „en," voer zij voort; doch het woord wilde de keel niet uit; — „daar valt mij een huis in; mevrouw Van — en zij noemde een' bekenden naam — „die mevrouw zal zeker