is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel weten, waar zij is; als Befje niet naar huis komen kon, heeft zij zeker bij haar hulp gezocht — die mevrouw is bij ons van daan, moet u weten."

En zij stond op van den stoel, waarin de heer des huizes haar had neergezet, en met de wellevendheid der natuur verzocht zij hem, haar den last ten goede te houden, dien zij hem luid aangedaan; „maar u heeft misschien zelt kinders?

Daarin zijn armen en rijken ten minste gelijk!

De heer des huizes knikte toestemmend, — „en daarom hoop ik, moedertje, dat mevrouw Van — je goed berigt zal hebben te geven van je dochter; — maar je vergeet je mandje „Och, mijnheer! Eefje is ons eenig kind! —"

Vrouw Hendriksz was weder op straat, weder op weg; de vraag, die haar op de lippen lag, maar die zij weerhield, de vraag, welke op het onderzoek naar de eerlijkheid harer dochter had moeten volgen, kwam andermaal bij haar op, zij verweet zichzelve, dat ze ook die niei had gedaan! W elk een licht werpt het op den toestand onzer armen, dat eene verstandige, dat eene vrome moeder onder hen. als zich bij de krankte van haar kind eenige maanden stilzwijgens en eenige kleine geschenken voegen, deze dadelijk aan dietstal of aan ontucht denkt. Doch ik beproeve maar eene schets naar de natuur te leveren, en het u overlatende er de opmerkingen bij te maken, waartoe de stof aanleiding geeft, breng ik u liever de tuinkamer, waarin mevrouw Van — gezeten was, binnen.

Vrouw Hendriksz was aangediend, en vrouw Hendriksz was toegelaten; al had de meesteresse der huizinge dien achtermiddag eenen kring van gasten om haar gezien, zij zou zich, op de dringende bede van het moedertje een oogenblik bij haar gezelschap hebben verontschuldigd ; het heugde haar, dat zij freule was geweest. Gelukkig gehuwd, genoot zij in de hoofdstad al de weelde, die de rijkdom liaars echtgenoots te harer beschikking