is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouwtje over den rug van den stoel, dien haar mevrouw Van — dadelijk had doen zetten. Als ware v,ij niet in staat het lijden, waarvoor zij in den eersten oogenblik geen troost wist te geven, langer aan te zien, staarde de laatste den tuin in, wiens deurramen, ik vergat het te zeggen, openstonden; — zag zij onwillekeurig den jongen tuinier de rozenstruiken opbinden die wat weelderig van loover waren geworden door de gloeijende Augustuszon.

,Eefje, Eefje!" kreet de moeder. Want de natuur brak de banden der onderwerping, waartoe zij getracht had haar gemoed te stemmen, en de smart, die uit den toon der woorden sprak, drong der aanzienlijke vrouw door merg en been.

En toch gaf zij er niet fluks antwoord op; toch bleef zij den tuin instaren: de jongman bij de rozenstruiken had opgezien bij den kreet van vrouw Hendriksz, opgezien met meer aandoening, dan louter het noemen van eenen naam scheen te kunnen wekken.

,Ik zal naar het gasthuis gaan, en hooren of zij gestorven is,"' voer de jammerende moeder voort.

, Wacht, vrouw Hendriksz, wacht!" fluisterde de vrouw des huizes, zonder naar de verslagene om te zien: de jongman, die het tweede woord even goed had verstaan, als het eerste, was van zins geweest binnen te komen, en had zijns ondanks, naar het scheen, twee stappen naar de tuinkamer gedaan. Immers toen had hij zich bedacht; thans scheen hij wéér louter oog en hand voor de rozenstruiken. Mevrouw Van — aarzelde een omzien, eer zij het ijlings genomen besluit gevolg gaf; een omzien vreesde zij, zich de deelneming, zich de ontroering des jongmans daarbuiten maar te hebben verbeeld: doch neen, beide waren te blijkbaar geweest, en wat was er bij gewaagd, de proef te nemen, of hij eenige inlichting geven kon ?

,Wouter!' riep de meesteresse des huizes.