is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een sprong bragt hein o|> het arduinen bordesje; maar even hartstogtelijk als die beweging was geweest, even schoorvoetende kwam hij de weinige trappen, die naar de tuinkamer voerden, op.

Mevrouw Van — zag hem zwijgend, maar uitvorschende aan.

„Och, mevrouw! ik heb haar zoo liefgehad, dat ik luisteren moest, of ik wilde of niet."

„Eefje!" riep de meesteresse des huizes, over liet slagen harer opmerking verbaasd.

,Eefje!" herhaalde vrouw Hendriksz, als in eenen droom, en werd eensklaps den derde gewaar, die in het vertrek stond, en sprong op den jongman toe. en viel hem 0111 den hals. „Leeft zijV" vroeg de moeder, „leeft mijn kind?" en staarde Wouter met hare bruine oogen in het gezigt, of zij in zijne ziel lezen wilde.

„Zij leeft, maar "

„Zij is verleid!" jammerde vrouw Hendriksz, en stiet den jongman van zich, als ware hij de schuldige geweest.

„Dat heb ik niet aan je verdiend, moedertje, maar je radeloosheid weet niet, wat ze doet. Ik had Eetje zoo lief, eerlijk lief: je zoudt zoo droef niet gekreten hebben, als zij „ja had gezegd, toen ik haar vroeg. Mijn oog was hier op haar gevallen, mevrouw! toen ik verleden herfst kwam tuinen; zij maakte een praatje met me; zij wist van boomen en bloemen; zij wist ook, dat ze mooi was, maar liet stond haar toen wii. Eer zij hare hielen uit den hof had geligt. moest ze mij zeggen, waar ze woonde, en wanneer ze uitging. „Waratje, daar heb je Wouter!" zei ze den volgenden Zondag, toen zij de stoep afstoof, en — maar wat heeft mevrouw er aan

„Ga voort, Wouter! ga voort!" en liet was geene ijdele nieuwsgierigheid, die der meesteresse des huizes liet oor deed leenen aan de vrijerij; Eefjes toestand kon haar slechts door

Vrosn I. 4