is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat verhaal duidelijk worden. Wouw Hendriksz zag voor zich heen. of zij er niet hij tegenwoordig was.

„Het leed niet lang, of ik dacht, dat zij me wel zien inogt. ,Eefje! hoe bevalt het je hier?" vroeg ik haar, toen we een keer of wat samen uit waren geweest, 0111 eens hoogte te nemen hoe na bij land. „Opperbest!" zei ze. „Gelderland moet toch mooijer wezen," begon ik weer. ,Yreel stiller ook," was haar woord. „Anders zou het mij wel loenen op het land te wonen," polste ik alverder. „0111 Haarlem en bij den Haag" lik ben nooit in Gelderland geweest, mevrouw!) „daar beleeft men plezier aan de bloemisterij en aan de broeikassen; onze stadstuinen zijn maar kerkhofjes" (het i> de waarheid, mevrouw!); „wat zeg je er van, Eefje! als ik eens bij een groot heerschap mijn eigen huisje had. zou je er met mij in willen wonen •*" — „Malligheid, Wouter!" mogt ze zoo zeggen, maar ik gaf haar een zoen, die klonk als eene klok... doch ik vergat tot wie ik spreke —"

Er school te veel poëzij in die schets, dan dat het hart eener vrouw haar niet mee zou hebben gevoeld. „En evenwel." zei mevrouw Van —, „en evenwel is zij verleid."

„Omdat ze mooi was, meende ze zoowel mevrouw te kunnen worden, als menige andere och die opschik! —- schoon ik soms tot mij zeiven zegge, dat zij nooit naar hem zou hebben geluisterd, als zij mij had liefgehad, zooals ik haar. Eu dan wéér spijt het mij, spijt het mij, of ik er gek van worden zal. dat ik mijne vuisten voor me hield, toen ik zag, dat hij zijn' arm 0111 haar middel had geslagen! Afranselen is alles, wat wij kunnen, wat we mogen, als zoo'n wulp zich aan onze zuster of ons meisje vergrijpt! Waarom ik het niet deed? ik zal het u zeggen, in de schemering was ik hun op zij, eer zij het wisten. „Eefje! heeft hij je aangerand?" vroeg ik, en hief mijne hand al op. „Neen. Wouter! neen," zei ze. „Wat meen