is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

je, maat?" vroeg de wulp. ,Ik weet wat ik zag, kwa jongen!" gromde ik. Hij ging zijns weegs — dat ik hem liet gaan'. Doch ik dacht meer aan Eefje, die naast me staan bleef, maar geen woord sprak. „Eefje!" zei ik ten leste, „wat wou —? .Hij vroeg me naar eene jongejufvrouw, die bij ons logeert." „Lieg niet, Eefje!" bad ik baar: „mooije kleêren kan ik je niet geven, maar een goed man zou je aan \\ outer gehad hebben, en dat is meer, dan die lichtmis me kan nazeggen." „Lichtmis! een jonge heer, die bij ons aan huis komt!" was al haar antwoord, als achtte zij het niet waard, mijne verdenking verder te weerleggen, —• ik geloofde, dat ik had misgezien." —

En Wouter hield een oogenblik op; de vrouw des huizes was aangedaan ; zij dacht niet aan liet belagchelijke, dat men in bedrogen minnaars pleegt te zien ; zij' dacht er slechts aan, welk een harte Eefje gekrenkt had, ten prijs van haar eigen verderf.

„O. dat die oogen liegen konden!" besloot de jongman.

Een smartelijke gil, der oude vrouw ontsnapt, getuigde, dat zij het gesprek maar al te wel had verstaan.

„Moedertje! ik zeg je, dat Eefje leeft!"

„Maar verleid! — och! dat ook dit nog over het hoofd van haren blinden vader komen moest!"

En zij zeeg op den stoel néér.

„Ik heb haar gebeden, ik heb haar gewaarschuwd, tot het leste toe; „vervolg mij niet meer." zei ze, „want ik haat je wijsheid." —

„Toch blijft ze mijn kind." snikte de oude; .als je weet. waar ze woont, zoo doe een goed werk, en breng mij tot haar!"

Vrouw Hendriksz wilde opstaan; maar zij beefde als een blad, maar zij viel andermaal in den stoel neer. Mevrouw Van — schelde 0111 spiritu.-. „Wat zal het baten?" zeide de moeder, toen zij liet glas aan hare bevende lippen bragt, „de