is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Mevrouw Ovens schijnt wat beter te zijn," begon Van Oudenhove belangstellend zijne informatie: ik had het genoegen haar van verre te zien."

„Dank u." hernam haar gemaal, en vroeg op zijne beurt „Mijne familie is wél," was het antwoord, „dat eene zeldzaamheid is met zeven kinderen als u weet" (het was de vraag, of de gastheer het wist, en dus werd de phrase aangevuld) „en onder deze zijn

„Delicate constituties?" viel Ovens in — wie schetst, wat

hij er bij dacht!

„Dat juist niet. mijnheer: — mevrouw Ovens lijdt aan die kwaal, niet waar? en toch zou men het uw hui> niet aanzeggen, zulk eene volmaakte orde heerscht er in, zulk een vrolijk voorkomen heeft alles hier!

Ovens zuchtte onwillekeurig; Van Oudenhove bemerkte dat hij eene valschklinkende snaar had aangeroerd.

„Het treft mij te meer. dewijl ik met zeven kinderen, als ik zeide, een drukke huishouding gewoon ben; — we doen wel ons best den handel zijnen geest van orde af te zien, mijnheer Ovens!" — de vlieger ging niet op. er kwam geen

glimlach; — „maar daar we doorgaans vreemden over den vloer

hebben, ten gevolge van ongesteldheid der kleinen —"

„Toch geene mazelen?" vroeg Ovens, en deinsde naar het andere einde der canapé - het was de tweede bok, dien Van Oudenhove schoot, uit overgroote insinuatiezucht: de man van de wereld had bij den burger op huwelijksliefde en huisselijkheid gerekend; hij had voorbijgezien, dat Ovens er wat rijk voor was, en Van Oudenhove herstelde zich:

„Volstrekt niet; ik zou in dat geval het huis houden; maar sinds langer dan eene maand zijn wij allen volmaakt wél; de staatsraad Ter Knikker logeert te mijnent; hij geldt een declaratoir van gezondheid — in geene drie weken heb ik