is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drong, toen de zaak afgeloopen was, bij mij op de rekening aan. Graevestein beweerde, dat hij er schier niets in had kunnen verrigten; ten leste gaf hij mij eene declaratie, verbeeld u, van /' 40. Ik nam haar aan. maar was dadelijk besloten, die niet in te leveren; zij zou, bij het salaris, dat mij in billijkheid competeerde, hebben afgestoken, als wit bij zwart! Veertien dagen daarna bragt ik Graevestein /' 150 voor zijn aandeel, — ik had waarachtig mijne berekening niet hoog gesteld ; — wilt gij gelooven, dat ik moeite had het hem te doen aannemen? verbeeld u, hij noemde het schande!" En als ik er nu bijvoeg, dat die procureur niet tot de schaarlievendste behoorde, dan verbaast liet u niet meer. dat ook het bedrag der nog te innen vorderingen Ten Have uit de hand viel. Al mogten zij klimmen tot het dubbele, daar waarschijnlijk een jonger ambtsbroeder de loopende zaken voor de weezen wel ten einde zou willen brengen, haar het honorarium overlatende; zelfs met bijvoeging van de opbrengst van zijne bibliotheek en zijn mobilair, er zou toch niet genoeg overschieten, om de dochters in staat te stellen, als jonge jufvrouwen te leven.

Vraagt ge mij, of Ten Have zijnen vriend veroordeelde!1 ik antwoorde u: bijwijlen — als hij vergat, hoe menschelijk het was geweest, dat Graevestein niet gevreesd had. in middelbaren leeftijd, op den leeftijd, dien wij ten minste hoffelijk genoeg zijn dus te noemen, te sterven. En na die bekentenis vergunt ge mij er bij te voegen, dat er ook oogenblikken kwamen, waarin hij zijnen vriend te liever had, dewijl er geene tranen door weduwen of weezen om de weinige fondsen welke hij naliet waren gestort. Als Graevestein alle zaken had aangenomen; als hij, voor Engelsche rekening pleitende, in stede van guldens, ponden sterling had geschreven, dan geloof ik niet, dat Ten Have zijn vriend ware gebleven; dat zijn geweten, — maar genoeg, wat konde de voogd voor