is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goed en kwaad liet ging, Anne een stoel, en stond een' poos aan haren schoot haar aan te zien, vrij, vrolijk ding als ze was — toen sprong zij weder naar den hond in den hoek, en trok hem bij de ooren, en reed op hem rond, als waren ze zamen alleen geweest.

Ondanks de vreemde ontvangst, achtte Anne het niet onwaarschijnlijk. dat de muzijkmeester Burdach er woonde: want men kon en buurt én trap vergeten, om liet uitzigt dat de beide vensters verleenden; want de stoffaadje van het vertrek was eener betere woning waardig. Door het bloemperk van den hangenden tuin henen, zag Anne de kruinen van het geboomte der schans, door eene zomerkoelte zachtkens heen en weder geschud; zag zij in het verschiet de weiden achter de singels; zag zij aan hare regter- den omgang van eenen molen, op het bolwerk van de buurt. Het geheel had iets van buiten, hetgeen een man, die zin voor de natuur bezat, aan wien de zuiverste smaak van allen was bedeeld, dien voor het land, met de afgelegene ligging, met menigerlei ongerijfelijkheid verzoenen kon; vooral in den zomertijd, wanneer de lommer het verval verbergt van schuren en loodsen en stallen, die anders der wijk iets afzigtelijks geven. Een blik op het huisraad overtuigde Anne te meer, dat zij wel zoude doen eenige oogenblikken te wachten — er lag een groen en grijs geruit tapijt op den vloer; er hingen drie vogelkooitjes boven het damspiegeltje; er hingen een paar gezigten van den Rhijn aan de wanden, en mogten de meubelen, het ouderwetsche kabinet vooral, betere dagen hebben gekend, eer de laden miskleurig werden, eer de beslagsieraden hun verguldsel verloren, er stond eene mooije piano in de kamer: Anne's blik rustte er begeerig op.

Het was. of het kind dien begreep. — ,Speel een walsje!' vroeg liet zoo vriendelijk, terwijl de teère handjes beproefden het deksel op te ligten ; ,ik wals met Caro!"