is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Een lief meisje, die Louise Ovens, hè, Hein! cei.e niooije blondine, wat tier. maar dat mag ik wel."

„Zoo, pa!"

„Zoo, pa! alsof je 't niet even goed gezien hadt als ik."

„Toch niet, papa! ik heb haar inderdaad naauwelijks opgemerkt." ^

„Hoe negentiendeëeuwscli jongeluiachtig, Hein! en \ an Oudenhove nam van verontwaardiging eens een snuifje. „Kat maakt visites in een huis. 0111 een' post te krijgen"

„Waarlijk, niet met mijn' wil." viel Hendrik in.

„En wat zou je dan willen, jonge heer! zou je dan willen leven van de lucht? 't Is waar, ik doe mijn' pligt slechts, als ik zorg en zwoeg; ik doe mijn' pligt slechts als huisvader; maar ik zou weieens willen weten, hoe jij je er door zoudt helpen, als ik je morgen eens ontviel? Toegegeven, de kinderen uit mijn tweede huwelijk zijn maar je halve

„Papa!" deed Hendrik hem ophouden, „God verhoé, dat het gebeur'! maar de kleinen hebben mij nooit iets misdaan, en buitendien 't zijn ook uwe kinderen; zij dragen onzen naam" —

„Marianne," zoo heette Van Oudenhove's tweede echtgenoote, „Marianne," zei hij, „heeft gelijk, als ze beweert, dat je, zoo goed als ik. den familietrots hebt, maar een beetje anders genuanceerd dan den mijnen. — den trots van uwe

moeder, zegt ze."

„Mama beklaagt zich toch niet?" vroeg Hendrik.

„Over jou, jongenlief? och neen! - een beetje voorkomender, een beetje vriendelijker misschien, mag zij je wenschen, meer in je eigen belang dan in het hare, maar anders, als ooit eene tweede moeder haren man weinig lastig is gevallen met klagten over de kinderen uit zijnen eersten echt, dan is zij het."