is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Geld!" smaadde Hendrik, zoodat zijn vader groote oogen opzette; — slechts als zijn zoon millionair was geweest, zou Van Oudenhove dien toon niet gek hebben gevonden.

„Geld, jonge heer, geld!" hernam hij, terwijl Hendrik, in gedachten verzonken, voor zich zag, „geld, waardoor men een rustig leven leidt; geld, waardoor men zeker kan zijn, zich met respect te zien bejegend; — geld, waardoor men vele vergrijpen kan goed maken; — geld. de god van onzen tijd!"

Het was, ot' die laatste woorden den zoon wakker schrikten uit zijne mijmering.

„Vader V vroeg hij ernstig, en Van Oudenhove spitste zijne ooren, want papa was de alledaagsehe titel; maar als het va-, der klonk, dan was Hendrik's gemoed warm; ,.vader! op het eerste gezigt at', louter óm des gelds wille, heeft u mij Louise toegedacht — maar gelooft u dan waarlijk, dat dit alleen genoeg zou zijn, om haar en mij gelukkig te maken?"

„Geluk? Hendrik, geld is er de eerste voorwaarde van: ik zou weieens iemand willen zien, die gelukkig was zonder geld!"

„1'apa," voer de zoon voort, die moed vatte ten gevolge van het ontwijkende in het laatste antwoord; „we zijn door uw gekscheren — ik hoop. dat het niet meer was, — op een ernstiger onderwerp geraakt, waarover ik mijn hart sinds lang lucht wilde geven; heeft u tijd, heeft u lust, om mij aan te hooren?"

Van verbazing nam Van Oudenhove een snuifje. „Biecht op, Hein!" zei hij op bemoedigenden toon.

.Het zijn minder gevoelens dan gedachten, papa. Ik heb nu twee jaren lang, schier dag aan dag, in dit studeervertrek gezeten, en zonder veel zaken, als u weet. Lusteloos mijmerende, met de hand onder het hoofd, zag ik dan die beide schilderijen weieens aan - *