is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben, over die zwakheden van zijnen ouderdom een veelbeteekenend stilzwijgen te bewaren, dat, zoo het al niet zeer verstandig mag heeten, ten minste zeer voorzigtig moet worden genoemd; ons, voor wie de letterkunde hoofdzaak is, ons vraagt gij misschien, welke bentgenootschappen in het tijdvak van het Bataafsch Gemeenebest (1795) bloeiden? Wij zouden u kunnen antwoorden, dat het tot de zonderlinge teekenen van dien tijd behoorde, dat de muzen geene rol van eenig belang in die staatkundige twisten speelden, dewijl zich in het verschiet eene guillotine dreigend verhief; — wij zouden kunnen aanmerken, dat zoo min toen, als vroeger of later, de letterkunde in Holland de beschikster over ambten, waardigheden en titels was — ik heb niet vergeefs de omwenteling beleefd — doch ons antwoord zoude dan waarheid behelzen en waarheid verzwijgen. Heide partijen telden mannen van genie onder hare vanen ; doch de uitstekendste handelden meer dan zij schreven en schreven nog minder dan zij dachten: louter handelende bentgenooten behooren niet tot ons onderwerp. De middelmatigheid daarentegen verkwistte tijd en inkt zonder voorbeeld ; doch vergun ons op onze beurt u eene vraag te doen: hebt gij ooit in eene woestijn gereisd? Zoo ja, dan weet gij bij ervaring, dat op uwen togt de groene plekken tot de barre zandvlakten stonden als één tot duizend: dan hebt gij weinig lust die reize over te doen of iets te ondernemen, dat naar dat verdriet zweemt. Zoo neen, mogt gij nieuwsgierig zijn, bij ondervinding te weten, hoe moede het hoofd wordt, wanneer genot slechts zeldzaam de ééntoonige verveling tempert, hoe men op eenen togt door de woestenij naar het einde van den onafzienbaren weg haakt, lees, bid ik u, de stapels pamfletten, verzen, almanakken, dagbladen en schotschriften van het Bataafsch Gemeenebest; roep die getuigen onzer dwaas-