is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiering van een dorp naar eene stad — een min of meer beroemde naam — de hoop op een ridderlint ? —Immers, hoezeer zij hem voornamelijk in zijne zwakheden geleken : de platonische liefde, — de hut van klei, — en het gedurig ruischen van beekjes, windjes en blaadjes, lieten zij hem over. Deze geneugten waren nooit de voorwerpen hunner wenschen geweest: schoon zij van geene zinspreuk grooter afkeer toonden dan van de woorden van (töthe:

Dichten ist ein lustig Metier.

Reeds in de kraamkamer van het republikeinsche jongsken — of wilt gij liever het Bataafscli Gemeenebest — had men hooren mompelen, dat het wicht slechts weinige jaren zoude leven. De uitkomst bevestigde de voorspelling en een vreemdeling kwam — ik weet niet uithoofde van welke verwantschap — de erfenis aanvaarden. Maar koning Lodewijk miste een der hoofdtrekken van het volk, dat hij aan zich trachtte te verbinden De man wist niets van spaarzaamheid, en stichtte zich paleizen, als had hij over even zoo vele rijken geheerscht als zijn land gewesten telde. Alles moest met kleine middelen op eene groote schaal worden ingerigt: van daar de velerlei misgeboorten, welke zijne regering kenmerkten. l>e merkwaardigste zijner stichtingen echter, die het minste geld van alle kostte, waarschijnlijk het langst van allen duren zal, en van wie wij hopen mogen, dat zij alle in verdiensten zal overtreffen, was een genootschap, een bentgenootschap, het eerste der drie par excellence uit mijnen tijd. Ik bewonder nog de deftige houding, welke al de leden van deze bent wisten te bewaren op de eerste vergadering: het was de bontste ter wereld. Verbeeld u wie er elkander al ontmoetten: oude prinsgezinden en oude staatsgezinden; zeven-en-tachtigers en vijf-en-negentigers; in het