is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klonk liet; liet ware onheusch van mij geweest niet te gaan. Ln toch dierf ik er welligt een bewijs door, waarmede ik oen kampioen van de almagt der nmzijk zoo gaarne geplaagd had, dat een allerliefste jonge vrouw, in de witte hroodsweken, die melodie, bij gebrek der woorden," noch begreep noch gevoelde.

„O, de vleeschpotten van Egypte, mijn table d' lióte in Utrecht!" hoorde ik uitroepen, toen ik mijn zakboekje, waarin ik eenige regels neerkrabbelde, weggeborgen, en een vijftig schreden, in de rigting der toonen van de dwarsfluit, mijmerend afgelegd had. „Albert, zeg mij, waarom was ik zoo dwaas met' te gaan?"

„ 1 irammetje. was het antwoord, en de 11 uit zweeg, „ik anticipeer wel op hetgeen ik krijgen zal. maar niet op hetgeen ik worden moet. Hoe drommel kunt gij n verbeelden, jongen liet. dat ik lust heb regter te spelen, eer ik er deftig toe benoemd ben? De studie, waarom de menschen zoo dwaas zijn, welk een allerprettigst verschiet!"

„Het onze is nog pleizieriger." zei Krammetje; „geen middagmaal van daag!"

Weet iemandt beter saus als honger tot de spijzen,

Of bedde dat zoo zacht als vaake slapen doet,

Weet iemandt beter smaak, in drank, als dorst te wijzen V riep ik, den hoek der struweelen omkomende, mijnen vrienden want zij waren het, die mij geseind hadden — met de woorden van Hooft toe.

„Gooische pannekoeken, Brammetje!" schertste Albert.

„Ge zijt geroepen," voerde de vierde onzer, een jeugdig schilder, mij lagchend te gemoet, terwijl hij een stuk vloeipapier over de teekening wierp, die hij op zijn veldstoeltje had nedergelegd, „go zijt geroepen om den lioogen raad voltallig te maken: de togt naar Hilversum is vergeefsch geweest."