is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verrieden, dat hij een kunstenaar was. Liefde voor eenvoudig natuurschoon had hem het plan van ons togtje in het Gooi hij nam het in den ruimer zin van vroeger tijd — doen ontwerpen; Albert was niedegegaan, om zich te amuseren. Bramnietje ter betere digestie, en ik het zal u blijken.

,Het, is te Hilversum als overal," zeide Bramnietje, terwijl hij zich half van zijn veelkleurig leger oprigtte, om zijne klagt uit te boezemen: „„ik zou u gaarne logeren, mijnheer! maar mijn huis is vol Amsterdammers.''" „Studenten zien op geen flescli," mogt ik zeggen. — „„Amsterdammers zitten ook op geen droogje,"* was het antwoord. — „Twee kamers, waard! ik heb te l'trecht nog al kennissen onder den adel, en zou je kunnen aanbevelen."

Albert glimlachte.

„„Kooplui zijn scheutiger, mijnheer!"" zei de vent.

„En ge gaaft uwen schimmel de sporen?" vroeg Otto — het was de voornaam des schilders.

„Dat minder." hernam Krammetje: „de oude knol stiet zoo erg, dat ik liever te voet terug wandelde. Ik heb hem aan den toom naar den boer geleid."

„Zou hij alleen niet naar stal zijn gedraafd?" schertste ik.

„Hij draaft even weinig uit liefhebberij, als ik het doe," hervatte Bramnietje: „maar waar zullen we eten. vrienden! dat is de hoofdzaak. Lach vrij, Willem!" dat gold mij „waarom anders schrijft en wrijft en drijft men in de wereld ?"

„Ge hadt er „kijft men" bij kunnen voegen."

„Ik sla Baarn voor," viel Otto bevredigend in.

„Dan pas ik," riep de theologant: „het is nog geen drie weken geleden... en, jongens, ik ben zoo kennelijk!'

„I'it duizenden," hernam Albert. „Dan te Soestdijk?"

„Daar hangt de schaar in de Lindeboom." antwoordde eene stem.

rrom l 1!'