is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Verzuimt gij er daarom geene beurt?" vroeg Brammetjo.

,De kalender," lachte < >tt<».

„Welk een roman zou liet zijn," voer Albert voort, „zoo ik mijne amourettes met die allen vertelde! — welk eene kennis van het vrouwelijk hart zou er in uitblinken!... Manier is nog licht op hare kamer."

Wij waren te Eemnes.

Vergun mij hier een beeld uit de streek in te lasschen ; het verscheen mij dien nacht.

VI

HET KLOOS T E |{ >1 A li 1 Ë N li U R (i. 1.

.Maarten van Kossem kwam!

Hoog slaat de vlam t Stift der iirigitten uit;

Rijk is de buit.

Maar, wie de nonnen kust,

Of' bij den beker rust,

Of naar liet werpspel ziet,

Wouter do wilde niet;

Hij ligt in 't eikenboscli,

Bloedende, op 't mos.

2.

„Bid voor de ziele mijn.

Vroom nonnekijn!

Ik heb van jongs af aan Oevels gedaan: