is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huid vol rimpels, te ruim voor de hoekig uitstekende beenderen. Laat die afzigtelijkheid jongens en vrouwen verschrikken, niet hem, die met den Waal gevochten en met don baren Duivel geklonken heeft! „Ha!" roept hij: „ha! luister, kunstenaar, die geesten bezweert, naar ik hoor!" En Tinion baauwt uit de duisternis, hol, akelig, dof 11a: „Ik hoor." En telkens zijne laatste woorden herhalende, verneemt hij. dat hij „onder" schuilt, roept Tinion hem toe, „koom in," raadt hij hem zijn hol te „zoeken," wijst hij hem naar de „eiken," bescheidt hij hem hier „ter stede," en komt hij „voor den dag," terwijl de eik schudt, en uit don grond wordt geligt, die vuur en vlammen braakt, als was het de mond van de hel."

„Wat schetst gij, Otto?"

„De verschijning van den toovenaar, liramnietje!"

„En I imon staat voor hem, Timon, die in water, lucht en aarde heerschappij voert over geesten, spoken en nikkers; die zeggen mag, dat alles, wat der wereld schrik inboezemt, voor hem vervaard is, daar hij de zon door kracht van tooverrijmen in de zee bant, en de maan doet bezwijmen, dat zij er de doodverw van zet; die de winden, zonder toom rennende, kort schut."

„Spreek niet zoo verbazend Hooftiaansch, Willem!"

„De uitdrukking is fraai, Hrammetje! De kunstenaar staat vuor hem, die den dooden stroom weêr aan 't hollen helpt; die den hemel schudt, dat de starren suizebollen; die bij naren middernacht zijne eunjers om het kerkhof doet draven, en de dooden uit hunne graven driescht, Timon de toovenaar, de waardige bewoner van het hol vóór ons..."

„Conatance!" baauwde de Echo.

Albert schrikte.

U ij zagen naar de plek. die wij al sprekende verlaten had-