is toegevoegd aan uw favorieten.

Avonturen als straatmuzikant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Natuurlijk waren allen daar in den wagen overtuigd, dat wij geen Hollandsch verstonden. We zorgden wel, dat we alles, wat in onze ware moedertaal tegen ons gezegd werd, lieten vertalen door onzen Fransch sprekenden medereiziger. En nu werd er zoo in 't Hollandsch gedelibereerd, hoe wij 't beste 's avonds nog naar Noordwijk zouden komen en waar we daar moesten slapen.

— ,,'t „Hof van Holland",'' zei er een.

— „Dat kunnen die menschen ommers niet betalen", meende 'n ander.

— „Ze verdiene meer as ik."

— „Wat za' je ddardn liege."

— „Nou, en dan nog, wat 'n leve!"

— „Zoo kwaad nog niet."

— „Jij zal 't hebbe. Je poote lam spelen voor 'n cent."

En in die stemming van medelijden beduidde ons onze vriend in den hoek, dat we nog maar eens den hoed zouden laten rondgaan. Dat leverde vooral ook door de ruime bijdragen van de Woestduinsche paardenliefhebbers weer een aardige oogst aan klein-geld op. r r'

— „Voulez-vous fumer?" En mij werden twee sigaren toegestoken, die ik met een: „Vous êtes bien aimable" aannam. Maar Joseph had intusschen van een anderen reiziger ook al een sigaar gekregen, zoodat ik er een in mijn vestzak voor later bewaren kon.

't Was nu al uitgemaakt in den raad van onze vriendelijke medereizigers, dat we 't beste zouden doen door af te stappen bij Piet Gijzenbrug en vandaar naar Noordwijk-binnen te loopen. Daar moesten we in 't „Hof van Holland" vragen naar een goedkoop logement en dan konden we den volgenden morgen vroeg beginnen.

„Of we te Noordwijk wel een vergunning zouden krijgen om té spelen? Ja, dat dachten ze allemaal van wel. En zoo stapten we dan goedsmoeds, nog altijd onder geleide van onzen Fransch sprekenden vriend, die naar Noordwijk moest, te Piet Gijzenbrug uit, na uitbundige dankbetuigingen aan ons gezelschap.

Heel de trein keek naar ons, toen we op 't smalle kleine perronnetje van „Piet Gijs'' de laatste aanwijzingen van onzen beschermer in ontvangst namen, die nu zichzelf wel heel gewichtig en heel goed voor die zwervers scheen te vinden.

En 't was dan ook waarlijk een brave man, dien we steeds dankbaar zullen gedenken.

NAAR NOORDWIJK.

We gingen 't landelijk witte brugje over, waar eenige dorpelingen ons wet wat achterdochtig aanstaarden, maar toch groetten. Uit een café-över-'t-brugje schoot een groote hond nijdig blaffend uit naar mijn lange regenjas en de waardin kwam aangeloopen om ons na te kijken toen we langs de geschoren hagen den slingerenden landweg naar Noordwijk-binnen insloegen.