is toegevoegd aan uw favorieten.

Avonturen als straatmuzikant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had", en nu zeker eens kwam kijken of zijn hulp noodig was, bij het inrekenen van de twee vreemde vagebonden.

Want dat we, vriendschappelijkerwijze, „ingerekend" werden, düt werd ons hoe langer hoe duidelijker en 't leed geen twijfel meer toen we, na een donker gangetje tusschen twee huizen te zijn doorgegaan, „de wacht" werden binnengeleid.

Wij zagen een helder gewitte, door gas verlichte ruime kamer, met een geschuurde tafel en een paar rieten stoelen, een kamer dus die op zichzelf niets onvriendelijks had. Maar 'n hoog, getralied raam in den eenen muur en drie cellen achter in het lokaal, cellen met dikke deuren, zware grendels, getraliede guichets en houten britsen, bewezen onafwijsbaar de voornaamste bestemming van de wacht, stelden ons opeens geheel op de hoogte met het karakter van dit, ons eerste zwervers-nachtverblijf. Welke persoonlijkheid in ons het meest verheugd was, de straatmuzikant over zijn goedkoop logies, of de journalist over zijn nieuwe ervaring, zou ik niet graag zeggen.

De burgemeester verscheen al heel spoedig, nadat de twee geleiders — het zoontje van de waardin was bij den ingang van de wacht op een drafje verdwenen om 't nieuws te gaan vertellen — met ons het lokaal waren binnengetreden.

Z.E.A. was een gezet heer met een zeer vriendelijk uiterlijk, die te vergeefs zijn blikken de noodige autoritaire gestrengheid trachtte te geven, toen hij ons door zijn gouden lorgnet aandachtig van hoofd tot voeten opnam.

— „Willen jelui hier slapen vannacht?"

— „Heel graag, meneer de maire."

— „Maar je ziet wel waar je hier bent, nietwaar?"

Wij beiden knikten zoo veelbeteekenend, dat de burgemeester wel gelooven moest, dat het niet de eerste keer was, dat we een politie-wacht van binnen zagen.

— „£a suffira pour nous, monsieur la maire, et que voulez-vous, c'est toujours bon marché, hein?"

De burgemeester ging zitten, liet zijn chef-veldwachter papier en inkt geven en begon ons te ondervragen.

Naam, beroep, geboorteplaats enz. gaven wij, onze papieren overleggende, op, overeenkomstig onze afspraak en „Naphtalie de Rosa" en „Joseph Pardo" werden zorgvuldig in de politieregisters van Noordwijk ingeschreven.

— „En nu wou jelui" — zoo vervolgde de burgemeester in 't Fransch — „een vergunning hebben om morgen te spelen. Maar dat gaat niet, mijn vriend, want morgen is het Zondag."

— „Ah, mais monsieur le maire" — en ik had gauw mijn armoedzaaiersstem weer bij de hand — fa serait trop cruel, allons. We hebben daar ƒ 2.40 uitgegeven om hierheen te komen, en 56 centen voor ons souper, en nog haast geen cent verdiend. Bedenk toch eens, meneer de maire. We kunnen toch zoo weer niet naar huis gaan ...