is toegevoegd aan uw favorieten.

Avonturen als straatmuzikant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En we gaven voor de zooveelste maal la Macchiche, waarbij de slungel met 'n dom tevreden lachje van ,,'t Kindje van den slager" zat mee te zeuren.

De avond duurde ons lang. De tijd was minder gul met het schenken van minuten, dan wij met nummers en extra-nummers, en de laatste loodjes wogen ons zwaar....

En zoo kwamen we er toe nu en clan maar eens 'n reeds gezongen nummertje te herhalen, wat best kon, omdat in den loop van den avond ons publiek zich vrijwel vernieuwd had, en onze pauzes wat langer te maken.

In een van die pauzes waarin de „Carré"-man ons beloofde ons in eigen persoon naar Arnhem te zullen brengen, waar hij ook logies had — deftiger dan wij natuurlijk, — en ons versche glazen bier liet aanrukken (je moet eenig weerstandsvermogen bezitten, om zoo'n concertavond zonder ongelukken door te maken) in een van die pauzes, zeg ik, kwam ook onze Maecenas ons weer opzoeken.

— „Wie is die man ?" vroeg hij ons nieuwsgierig, duidend op „Carré."

— „Nous ne saurions vous le dire, signor. We hebben 'm vanmiddag voor 't eerst gezien en kennen 'm niet. Maar hij is heel vrindelijk."

— „Soyez prudent!"

— „Wat bedoelt u daarmee, signorf Kent u hem dan?"

— „Non. Maar ik vertrouw dat niet. Soyez prudent!"

— „O, natuurlijk, signor. Wij zijn niet bang!"

— „Jawel, dat weet ik. Maar u doet toch goed met voor zulke menschen op te passen. U heeft veel geld verdiend en u gaat in Arnhem slapen?"

— „Ja> signor; die meneer heeft kamers voor ons besproken."

— „Soyez prudent. Laat uw geld en uw instrumenten hier en kom morgenochtend terug om ze te halen."

— „Als dat kan, heel graag, signor."

De heer Waterborg had er niets tegen en had evenmin bezwaar, op mijn verzoek om een getuigschrift in te gaan; dat zouden we dan den volgenden ochtend meteen kunnen ontvangen.

Zoo spraken we tijdens het laatste half uur af, en terwijl we zoo nu en dan nog wat ten beste gaven, een walsje, een cakewalk, een Napolitaansch liedje, liep het tegen elven. Toen pakten we ons rommeltje bijeen, vrind Carré tracteerde ons met groote gulheid op broodjes met vleesch en weer maar bier, terwijl het publiek, blijkbaar uiterst voldaan over onze prestaties, nog wat bleef napraten. We volgden later den heer Waterborg en Maecenas naar de deftige directie-kamer, waar we onze schatten op tafel gingen uittellen om klein voor groot in te wisselen.

Maecenas toonde schik in ons te hebben; wij moesten hem het een en ander van onze reizen vertellen en ons optreden scheen zoo goed bevallen te zijn, dat hij stoute plannen ging maken.