is toegevoegd aan uw favorieten.

Avonturen als straatmuzikant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Ja, giebt's hier auch ein gutes Café für uns ?"

— „Laat ze naar Van Kooten gaan."

— „Ja, dan moessen zie naar Van Kooten gehen. Die heeft immer moeziek Zontagsabends und als zie gauw gehen dan heeft er möglich nog niemand.

Ze waren nog bezig ons den weg naar Van Kooten uit te duiden, toen de deur openging en onze vriend van gisteravond, „Carré," binnenkwam, ditmaal onberispelijk gekleed, met lichtgele schoenen, 'n pantalon met 'n vouw, "n kort geel demi-tje en een fantasie-hoed. Alleen was hij iets te chic om een „heer" te zijn, dus bleven we omtrent 's mans maatschappelijken stand nog even wijs als den dag te voren.

Hij trad, na een zeer joviale begroeting, oogenblikkelijk weer in zijn vrijwillige functie van tolk en leidsman en ging, nadat ook hij zich den weg naar het „Café National" van Van Kooten had laten verklaren en wij 92 cents hadden betaald voor logies en ontbijt, met ons de straat op. Het heele gezelschap in de gelagkamer wenschte ons „goed succes" of ,,'ngoeien dag." Alleen de vrouw met de trommel bleef wezenloos voor zich uitstaren : zei niets....

Nog altijd is mij de overdreven vriendelijkheid van onzen Brusselschen vriend — als ik daaraan terugdenk — een raadsel: öf de man was de gepersonifieerde Hulpvaardigheid — ik zet expres een hoofdletter; — èf hij was een groote gewichtigheidsjager. Want zeker stond het gewichtig als „meneer" met ons, bezienswaardig schooiersstelletje, door het Zondag-drukke Arnhem te wandelen.

In een instrumentwinkel vulde Joseph zijn alweer opgesleten voorraad tokkelaars aan en verrijkte ik, voor de luttele som van 50 cents, onze instrumentverzameling met een occarina, lijfinstrument uit mijn burgerschooljaren, toen ik in eiken zak van mijn tricot-broekje zoo'n wonderlijk gevormde steenen fluit met mij meedroeg en voor al mijn leeraars een afzonderlijk „Leitmotiv" bedacht.

De oude kunst, in geen jaren beoefend, kon ons nu weer te pas komen voor het brengen van afwisseling in ons repertoire.

We liepen — want dat was nu voor ons niets bijzonders meer — en passant op het bureau van politie aan, om een vergunning te vragen. We hadden er wel niet den minsten moed op, maar.... men kon nooit weten.

't Was echter niets gedaan: voor spelen in café's hadden we geen vergunning noodig en voor een straatpermissie moesten we den volgenden dag maar eens terugkomen, zeide de brigadier, die ons te woord stond. „Maar 't zal ze wel niet lukken," vertelde hij er meteen onzen vriend bij. Die dacht echter blijkbaar, dat die mededeeling ons ontmoedigen zou, want hij vertaalde haar niet.

Door de geasfalteerde Rijnstraat wandelden we onder druk bekijks naar de Walstraat, waar zich het „Café National" van den heer Van Kooten moest bevinden.