is toegevoegd aan uw favorieten.

Avonturen als straatmuzikant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

even stil stonden, om ons met wereldwijzen blik te monsteren.

Ondertusschen was helaas de lucht zwaar gaan betrekken, en om niet geheel vruchteloos den ochtend doorgebracht te hebben, vingen we aan bij de villa's, die na Bronbeek volgen. Het geluk diende ons; we kregen ruime giften. Voor de eerste villa, waar een gezelschap kinderen en jonge meisjes in één oogenblik voor de bovenramen was saamgekomen, gaf het al dadelijk twee kwartjes. En daarnaast haalden we met drie liedjes evenveel dubbeltjes op. De volgende villa was ons door eenige kunstbeschermers uit 't publiek als bijzonder winstgevend aangewezen.

„Daar mot je speule, jö, die hêt verstand van mesiek."

Het regende al zachtjes.

En of we ook spelend en zingend langs alle ramen van de villa wandelden, er toonde zich niemand, tot, juist toen we onze instrumenten voor den regen bergen wilden, een dienstmeid naar buiten kwam, en ons beduidde, dat meneer in den tuin was. Dat vonden we een aanleiding, om met frisschen moed te blijven musiceeren. Het dienstpersoneel, langzamerhand tot drie meiden en een knecht aangegroeid, raakte er zoo verlegen mee, nu we daar maar onverstoord in den regen bleven doorspelen, dat ze den tuin in snelden en in alle richtingen zochten naar hun muzieklievenden meester, die maar niet komen wilde.

Na lang zoeken verscheen hij, haalde snel zijn beurs voor den dag, liet Naphta twee dubbeltjes in den hoed vallen, salueerde even toen we onderdanig bogen, en stapte naar binnen, de tuindeur achter zich in 't slot werpend

Toen begon het hemelwater eensklaps als met bakken naar beneden te storten en er bleef ons niets anders over dan, opnieuw doornat, naar ons logement terug te wandelen, waar we vriendelijk werden binnengehaald en onmiddellijk, als schadevergoeding, wat moesten spelen voor de gasten.

We zullen die brave menschen van het Volkslogement te Velp niet spoedig vergeten. Het is niet alles, om in een zoo zindelijk, stemmig tehuis daar plotseling twee vagebonden te zien binnenvallen, die zich voor Italianen uitgeven, met wie je haast niet praten kunt, van wie je niets weet, dan dat ze arm zijn en met spelen langs de straat hun broodje moeten verdienen, en van wie je dan ook alles verwachten kunt. En toch zijn de menschen daar vol vertrouwen in ons geweest. Zij hebben ons goed eten, een zindelijke slaapplaats gegeven; zij hebben ons herhaaldelijk onthaald op brood en thee en limonade, ons telkens weer zelf uitgenoodigd om te spelen en onder de gasten en de bezoekers met den hoed rond te gaan, en steeds waren de chef en de juffrouw, die ons toch al zooveel goed deden, met hun liefdegaven vooraan.

Het is Naphta's en Joseph's plicht hun daarvoor openlijk hulde te brengen.