is toegevoegd aan uw favorieten.

Avonturen als straatmuzikant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ruiters te merken. Terwijl bij den oppasser de luidruchtigheid voornaamste kenmerk van zijn momenteelen geestestoestand was, toonde de sergeant een lichtelijk-arroganten dronk.

Zijn cornet-a-piston had hij al heel gauw voor den dag gekregen, en nu toonde hij ons met groote zelfgenoegzaamheid de wondere ontwikkeling van zijn embouchure, ons daarbij vergastend op een monoloog over theorie en praktijk van het hoornblazen, in een soortje Duitsch, dat ik maar niet zal trachten weer te geven.

Wat de taal betrof, viel ik dien avond voor het eerst op onverklaarbare wijze een oogenblik totaal uit mijn rol. Joseph, en ook ik zelf, betrapte er mij op een gegeven moment op, dat ik een zin volkomen zuiver Hollandsch sprak. Gelukkig was er op dat oogenblik niemand in de kamer behalve de sergeant, die in het vuur van zijn kunstdemonstratie van mijn wonderlijken lapsus niets bemerkte.

— „D'r is er geen een," zei-ie met z'n borst vooruit — „die 'n hooge C blaast zooals ik. Niet glijen, niet zoeken, maar in eens stooten, zóo, luister "

'n Hooge toon, waarvan we heel graag geloofden dat-ie de hooge C was, snerpte door de open warandadeur naar buiten de nachtstilte uit elkaaar.

„ .... Zie je. Die staat ineens. En nou 'n val van twee octaven ...." Poè, poè... póh .... „Hoor je wel? En nou naar boven" ....

Pöh Poè.... Hoor je wel, dat-ie ineens staat? Heb ik wel

van m'n vader geleerd. Die stond met de zweep achter me en dan was het: geef acht. Hup! En dan moest die hooge C ineens gestooten worden. En nou, met die eene marsch van me, weet je met die hooge fanfare" — de oppasser knikte bewonderend en wij knikten maar mee — „dan blazen ze 'm allemaal zóó, hè?" ... Poe, pa, taderatata.... „Nou, die blaas ik zóó''.... Ta, tè tederetètè!

Zoo bleef-ie wel een half uur woorden en fanfares schetteren, dat de heele buurt er wel wakker van geworden moet zijn en de kamer zoo vol stond van koperklank, dat je je hoofd voelde meetrillen als 'n gong.

Gelukkig bracht het avondeten — brood en koffie en heerlijke eieren naar believen — wat rust. Maar daarna ging de sergeant, die er nu voor 't gemak in zijn hemdsmouwen bij zat, weer van zijn marschen vertellen en van zijn triomfen op pistonnistengebied: hoe hij ze in Duitschland bij die en die Philharmonie met verbazing had geslagen door een moeilijke cornetpolka, in Des geloof ik, op 't eerste gezicht op 'n bes-piston te blazen, nog wel een octaaf hooger of lager — daar wil 'k afwezen — dan ooit te voren iemand ter wereld die geblazen had. Enfin, 't moet wonderbaarlijk knap zijn geweest. En hij toonde ons zijn vereelte lippen en vertelde hoe ie vroeger, toen ie jonger was, wel op zijn hurken voor een tafel ging zitten, waarop zijn instrument lag, hoe die dan los zijn lippen aan de cornet zette en hoe ie dan in eens stond. Niet de sergeant, wel te verstaan, maar de hooge C...,