is toegevoegd aan uw favorieten.

Koning Oedipus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vs. 242—27/.

ÜEDIPUS.

Gij vraagt mij redding, mannen ! Dan alleen zal die u worden, als ge naar mijn woord wilt luisteren en doen wat Phoebus zegt.

Ik werd eerst later burger van dit land,

dan 't snood bedrijf, hetwelk ik noemen zal,

geschied is; onlangs eerst vernam ik dat.

Want had ik het gekend, ik had niet lang vergeefs gezocht, maar dra een spoor ontdekt T)! Nu richt ik tot mijn volk dit hoog bevel:

Wie uwer weet, door wiens hand Laïos.

de zoon van Labdakos, gevallen is,

geev' onverwijld daar kennis van aan mij.

Ja, zelfs den dader houd' geen vrees terug van zelfbeschuldiging; geen zwaarder straf wacht hem dan veilig' aftocht uit dit land.

Maar wie een ander als den moordnaar kent of als meéplichtig, hij verzwijge 'tniet;

ik zal met dank hem loonen en met goud !

Doch zwijgt men, en veracht men dit bevel, uit vrees voor zich of voor een ander, dan verneemt, welk lot den overtreder wacht:

'k Verbied een ieder, die dit land bewoont,

waar ik den schepter zwaai, om zulk een mensch bij zich te ontvangen, wie hij ook mag zijn; van offers en gebeden zij hij ver;

toespreken mag hem niemand; ieder moet hem drijven van zijn huis! Hij is de man die vloek bracht over 't land, gelijk de god van Delphi mij zoo even heeft verklaard!

1) l>«• verklaring is hier onzeker, en de tekst "waarschijnlijk bedorven, even alv op

enkele andere plaatsen van deze rede.