is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine bandeloozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Got.. got wat is dat gauw gebeurd,« begon een der vrouwen weer; idaar heb ik nou verstomd van gestaan zoo gauw as dat in zijn werk is gegaan, zoo heb ik 'm nog zien loopen en zoo een begrafeniskoes voor je deur, hoe is 't mogelijk.»

»Zoo 'n ziel hè,« jammerde een ander na.

Stil begon ze te snikken, met korte zenuwschokjes van haar borstloos lijfje, haar smalle hoekig opgedroogd gezichtje met saamgeperste dunne lippen, strak simpel naar den grond. Smal in haar sluiken onderrok, die als een koker neergetrokken om haar beenen hing stond ze klein-verdrongen, breed-omschermd door de aanschuivende lijven en 't rustig uitklagen der stemmen.

»En zoo'n nette man hè, 'k wist werachtig niet wat k hoorde,« klaag-jammerde weer een van de vrouwen: »'k heb 'r altijd mijn strijd in gehad, zoo netjes as-ie zijn jassie altijd had en nou zoo ineens weggenomen, je inot er niet inkommen.*

»En nog geen week ziek geweest,« beweerde een ander op een toon van gezag: »hoe is 't mogelijk dat je d'r zoo gauw uit kan zijn.»

»Hoe lang is t geleje dat ik 'm nog met zijn portefullie op de gracht tegen kwam ? Got. ., got, hoe is 't mogelijk, verléje week nog.«

Het dorre strak-gespannen wit gezichtje, neergebogen naar omlaag, knakte even op met zacht geprevel van de lippen.

»Net tien dagen het-ie gelegen,« klaagde ze huilerig.