is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine bandeloozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelen aan zijn ooren; maar 't onbeweeglijk hoofd hield zich heerlijk doof.

»Net een dooie keniiek, hè,« grinnikten ze. Met groot rumoer van dooreen-tvvistende stemmen, schreeuwden ze door elkaar, dat-ie een kussen onder zijn hoofd moest hebben voor 't schudden, en dat-ie toegedekt moest worden. Een kussen was heelemaal niet noodig, -— beweerde er een met gezag. »Als een dooie zijn hoofd in de kist heen en weer schudt, dan voelt-ie er tóch niks van. »'t Zijne gewone kisten,« overtuigde een ander; »en een echte dooie neemt niks meê.«

>Maar je ziet niks van zijn kop zoo,« hield een ander vol »en hij mot wat onder zijn hoofd hebben, dan ka-je veel beter zien dat-ie dood is.«

-Nou, natuurlijk, ze leggen een dooie wel-is een zakkie zand onder zijn hoofd, voor de zwaarte,» fantaseerde er een heel wijs.

»Wat za-je daar an liegen,« giegelden de anderen ongeloovig terug: »een zakkie zand,., een doodkist is geen luchtballon jong, wat jou.«

Voorzichtig werd 't bol roode hoofd met wegpinkelend zweet op voorhoofd en neus, opgebeurd. »Houë hoor!« kommendeerde een jongen. »Net een dooie hé, je zou zweren dat-ie dood was,« smoesden ze vol bewondering. De dood-liggende jongen verkneukelde zich van ophikkende pret. Zijn lippen pletten zich vaster op een, om een opproestenden lach binnen te houden »Hij het de hobbelkramp in zijn buik, proestten ze.