is toegevoegd aan je favorieten.

Reinaert de Vos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VEERTIENDE HOOFDSTUK. — HOE GRIMEERT DE DAS DEN KONING HET VOORSTEL DOET OM REINAERT TE GAAN NOODEN EN HOE HIJ TE MANPERTUIS AANKOMT. — —

OEN de koning zijn bode in zulken staat zag alkomen en raadde hoe hij berecht was, liet hij een vervaarlijk gebulder hooren en hij dreigde vreezelijk op Reinaert, den leelijken dief en hij zwoer het niet lanaer meer uit te stellen. Daarom

riep hij op denzelfden stond al zijne wijsaards en baronnen bijeen en vroeg hun raad wat er best tegen Reinaerts boosheid zou gedaan worden? Daar werd menigen raad geopperd hoe men den schelm die deze misdaden begaan had, straffen zou.

Toen sprak Grimbert, de das, Reinaerts broêrs zone:

Heeren hier al te gader, gij hebt menigen raad gegeven, maar al had mijn oom nog veel meer kwaad begaan, toch moet ge u aan de bestaande wetten houden en hem drie werf dagen naar 't hof om zijn redens te aanhooren gelijk men 't doet met alle vrije man. En komt hij dan niet, wel, zoo moogt gij hem schuldig oordeelen van al de dingen waaraf hij voor den koning door deze heeren beticht is.

Maar wie wilt gij, Grimbert, dat ik nog zende om

hem te dagen? sprak de koning. Wie is er die zijn oog of zijn kaken wil wagen bij zulk een ongehiere schepsel? Ik meene dat er niemand zoo zot en is of zoo stout.

Maar Grimbert kwam vooruit.

— Met Gods hulpe! Zie mij hier vóór u staan, Heere, zegde hij, ik ben zoo stout dat ik het wel bestaan durf de boodschap te volbrengen is 't dat gij 't mij gebiedt.

De koning gaf hem seffens oorlof: