is toegevoegd aan je favorieten.

Reinaert de Vos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— God die alle ding in 't leven schiep, hij geve u, koning, voorspoed en blijdschap in overvloed. Ik groet u koning en dat weze mij gegund. Want nooit koning en had er een knecht zoo getrouw jegens hem als ik altijd geweest en nu nog ben. Dat is u dikwijls mogen blijken; nochtans staan daar lieden rond uwen troon die mij geern uwe hulde zouden rooven als gij er maar naar luisteren wilt. Maar zulks en vrees ik niet — God miek u wijs en edel en 't en betaamt de kroone niet dat gij de schalkaards en de listige vleiers te licht gelooven zoudt, al wat ze vertellen. Nochtans mag het God geklaagd worden: in onze dagen loopen er te vele van die listige bedriegers die erop uit zijn iemand te betichten; — dezen hebben de plaats aan de rechtere hand weten te veroveren aan al de hoven der machtigen. Dezen zal men geen geloof schenken want de schalkheid is in hen geboren. Dat zij aan de goede lieden leed veroorzaken dat wreke God op hun leven en hij moet hen in de eeuwigheid met zulke belooning vereeren gelijk ze 't weerdig zijn.

Maar de koning kon zich niet langer bedwingen en hij bulderde los in woede en riep:

— O wee, Reinaert, o wee, Reinaert, gij valsche booswicht! hoe kunt gij schoone voor den dag komen! maar 't en zal u geen zierken helpen. Schei er nu maar uit met uw lamoezen, want met vleien en al word ik toch uw vriend niet. Het is waar, gij raast daar dat gij mij trouw gediend hebt! 't was zeker in een zake die in 't woud met u is voorgevallen, waar gij kwalijk den vrede in onderhouden hebt, dien ik algemeen had bevolen en doen uitroepen!

— O, wee! riep Canteclaer opeens daartusschen, wat heb ik binst dien vrede al verloren!

— Houd uwen bek, heer Canteclaer, gebood de koning, ik ben het die spreek — laat mij die vuile