is toegevoegd aan je favorieten.

Reinaert de Vos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reinaert rechtte zich en sprak luide dat al de omstaanders het hoorden:

— Heere Isegrijm, voor de helft genade! Al ware u mijn ondergang nog zoo aangenaam, en al brengt gij mij nu in 't verderf, ik weet toch wel, dat mijn moeie als ze met recht de verledene gebeurtenissen wil gedenken, dat ze me nooit geen kwaad en zal aandoen. Maar gij, heer Isegrijm, mijn zoete oom, gij toont niet veel vriendschap voor uwen neef en gij niet beter, heere Bruin en heere Tybaert, dat gij mij alzoo in oneere brengt. Gij gedrieën hebt mijne dood bewrocht: daarbij hebt gij gemaakt dat alwie mij nadert, mij uitscheldt voor dief en tracht te hinderen. Daarom moet gij, God zal 't u straffen, alle drie in oneere geraken is 't dat ge u niet en haast om te voltrekken 't geen gij voornemens zijt te doene. Mijn herte en is niet bang voor de dood — men sterft maar eenmaal in 't leven! en ik achte mij nog beter dan mijn vader, die stierf plotselings zonder voorbereiding en 'k en wete of hij vergiffenis kreeg over zijn zonden aleer hij stierf, die onzekerheid was eene knaging gedurende heel mijn leven, en daarom ook heb ik mij beter voorzien. Ga, bereidt de galge, of is 't dat gij nog langer met mij talmt, wensche ik dat ge uw leven lang, achterwaards op uwe pooten den grond beloopt!

— Het zij zoo, sprak Isegrim.

— Ja, zei Bruin, achterwaards over den grond moet hij loopen die nog langer draalt!

— Vooruit dan maar en gauw! riep Tybaert.

En met die woorden sprongen zij en wipten voort over de bane als blijde gasten, Bruin en Isegrijm en ze pijnden zich om ter meest en haastig te springen over hoogten en laagten, naar 't galgenveld. Tybaert volgde hen maar die kon zoo rap niet loopen omdat de koorde die hij dragen moest zoo zwaar op zijnen