is toegevoegd aan je favorieten.

Reinaert de Vos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET NEGENDE HOOFDSTUK. — HOE REINAERT VERDER ZIJNE ONSCHULD BEPLEIT EN ALLE AANTIJGINGEN WEDERLEGT EN VAN ZIJNE ONTMOETING MET MARTIJN DEN AAP. — —

AN zoogauw men vernomen had boe Reinaert zoo onverwachts en uit eigen goeddunken naar 't hof kwam, was een ieder verwonderd en elk spoedde zich om hem te zien en te weten hoe het dezen keer zou afloopen.

Nu stonden de nieuwsgierigen opeengedrumd in een ring, tegen 't omhein van 't hof, in groote stilte om geen woord te verliezen van al wat er gezegd werd. En niemand kon zijn oogen gelooven omdat Reinaert zoo stout optrad en zulke vranke tale voerde.

Toen sprak de koning:

— Och, Reinaert, hoe wel kunt gij uw bedrog uitbrengen! uw schoone bootsen en heel uwe pleitredens en zullen u niet vele baten. Ik zeg u dat gij heden nog uwe werken met uwe keel zult ontgelden. Ik en wil met u niet veel hooge redens voeren, maar zal uwe pijne korten. Dat gij ons lief hebt is gebleken aan 't konijn en aan Corbout. Uwe schalke vondsten, zoo loos en stout zullen u doen sterven zonder ziekte. Zoolange gaat de kruike te water tot ze breekt en in stukken valt. Ik bedoel de kruike die ons zoo dikwijls bedrogen heeft en nu zoo haast zal breken.

Reinaert gerocht door die woorden in groote angst en in vreeze: hij wilde wel dat hij te Keulen in een wijnkelder hadde gezeten en hier niet gekomen ware. Toen dacht hij: Wat kan er mij nu helpen? Ik moet er door en gelijk hoe ik het bega.

— Heere koning, sprak hij, gij moest mij laten uitspreken, dat en zou maar redelijk zijn. Al ware ik