is toegevoegd aan je favorieten.

Reinaert de Vos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dikke bramen: daar hoorde ik iets krevelen vanbinnen. Ik zegde hem: „Ga erin en zoek of gij er uw gewin kunt vinden, 't en kan niet anders er moet iets in zitten." Toen zegde hij: „Neve, in dat gat en kruipe ik niet voor geen honderd pond goud, tenzij ik eerst weet hoe het daar is vanbinnen, 't Schijnt mij dat het daar gruwelijk spookt. Maar ik wil u hier verbeiden, onder dien boom, ga gij er eerst in, en keer aanstonds weder en laat mij hooren hoe 't daar binnen geschapen staat. Gij weet zoo menigen goeden raad, en kunt u beter verhelpen dan ik." — Zie, heer, alzoo wees hij mij het strop, ik arm wicht die klein ben en krank: en hij die sterk is en groot en lang bleef liggen rusten op zijn gemak. Zie nu wat trouw ik hem bewees!

De angst die ik daar doorstond en wil ik om geen goed van de wereld meer lijden, want ik en wist nog niet hoe 't mij zou vergaan. Ik trok daar binnen als een stoutenk. Ik kwam in een breede, lange gang, krom en donker, en eer ik binnen het eigenlijke hol gerocht, ontwaarde ik een groote klaarte van de lucht die er van bezijden in kwam. Daar lag een groote aap met twee oogen wijd open die blekten als een vier; met een wijden muil en lange tanden en scherpe klauwen aan zijn pooten, en eenen langen steert van achter aan zijnen zet. Van mijn leven en zag ik een vreezelijker dier; ik meende dat het een marmoete was of een baviaan of eene meerkat. Nergens was er een leelijker beest te zien. En bij dat monster lagen hare drie kinderen, drie leelijke jongen die pas te beene waren, en ze geleken hun moeder zeer goed. Toen zij mij zagen aankomen zwegen zij, maar zij stelden hun muile open en blekten leelijk. Ik zou veel geld gegeven hebben om daar weg te zijn, want ik was vervaard — wat baat het