is toegevoegd aan je favorieten.

Reinaert de Vos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uwe kennissen. Ik heb aan u gedacht voor mijne jongens: gij zoudt uwe neefjes ook eenige wijsheid moeten aanleeren en hen opleiden in eere en deugd, want gij zijt de geschikte man daarvoor en van aanzien onder de treffelijke lieden." Gij kunt denken hoe welgezind ik was toen ik die woorden hoorde' Met mijn eerste woord had ik hare liefde gewennen, doordat ik haar ,,mijn raoeie" heette. Al had ik haar alzoo genoemd toch en was zij daarom mijne moeie niet: want mijn rechte moeie staat ginder: vrouw Rukenau, die schoone, zedige en brave kinderen pleegt te winnen. Toen zegde ik verder: „Moeie, mijn leven en mijn goed staan ten uwen dienste, overal waar ik kan. Gebruik mij bij dage of bij nachte: ik zal uwe jongens al leeren wat ik kan." Ik ware er geern vanonder getrokken omdat die wiege zulke slechte lucht gaf en ook bijzonderlijk om Isegrim die zoo herteloos was van honger. Ik zegde: „Moeie, God behoede u en uwe jongens! Nu wil ik mij huiswaards spoeden: want

mijn wijf zal verlangen naar mijne komst." „Neve,"

zegde zij, „gij en zult nergens gaan vooraleer gij uwen buik volgegeten hebt: en als ge mij dat moest weigeren zou ik het zeer kwalijk opnemen." Toen stond zij recht en deed mij bezijds in een ander hol gaan. Daar lagen zooveel spijzen dat 't mij verwonderde van waar zij gekomen waren: herten, hinden, te veel om te noemen, patrijzen, kraaien, reekalvers. Aan al die dingen mocht ik mijn dienaar doen. En wanneer ik van alles mijn bekomste had, gaf zij mij een stuk vleesch van eene hinde om mede te dragen voor mijne vrouw en kinderen. Ik schaamde mij zeer maar ik mocht het niet weigeren. Ik dankte haar vriendelijk en ben alzoo vertrokken. Zij deed mij beloven van in 't korte weder te komen, en ik zegde dat ik het niet geern laten zou. Ik beval haar aan God en nam haastig afscheid,